Cappuccino is voor de zieken

Het verloren paradijs. Daarover gaat Malocchio, de nieuwe roman van Geerten Meijsing. Twintig jaar lang woonde de schrijver Erik Provenier, alter ego van Meijsing, oude bekende uit Altijd de vrouw (1991) en Tussen mes en keel (1997), in Italië. Op veilige afstand van lompe, rumoerige landgenoten die Pinocchio-land aandeden in hun korte broek en sandalen, betrok hij er een krakkemikkig boerenhuisje in het Toscaanse Lucca. Ruim acht jaren woonde hij er, als alleenstaande vader, met zijn dochter Chiara. Van haar derde tot haar twaalfde werd zij aan zijn zorg toevertrouwd. Aan haar, het meisje met de priemende blik dat op het omslag is afgebeeld, is de roman gewijd. Toch kun je niet zeggen dat zij er de hoofdpersoon van is. Wij worden wel het een en ander over haar gewaar: dat zij weinig eet, weinig slaapt, mensen bang maakt met haar malocchio, haar boze oog, de vriendinnen van haar vader met wantrouwen begroet en op school weinig aanspraak heeft. Een helder beeld van haar karakter krijgen we niet en van wat er zich zoal in haar hoofd afspeelt, wordt ons maar een enkele glimp onthuld. Chiara is vooral de dochter van haar vader: een geducht handenbindster, maar ook de enige vrouw in zijn leven die hem niet heeft verlaten. Zij werd, zoals het bijna sprookjesachtig heet, vlak voor haar twaalfde van hem `weggeplukt' door haar moeder.

Malocchio is een veelzijdige roman, al lijkt het op het eerste gezicht misschien een eenvoudige, nauwelijks vermomde autobiografische geschiedenis. Meijsing heeft meer te bieden dan een getrouw verslag van twintig jaar verblijf in Toscane. Meer ook dan de wederwaardigheden van een plotseling in de steek gelaten man, die alle zorgtaken voor zijn dochter op zich heeft moeten nemen – ineens actueel omdat er de laatste tijd zoveel boeken verschijnen door zelfbewuste vaders van nu. En ook weet de roman uit te stijgen boven de gewone burenruzie, al woedt hier een hevige strijd tussen de import-Italiaan Provenier en buurman Gigi. Van deze adellijke, maar moreel weinig hoogstaande Gigi rijst een onaangenaam beeld op. De buurman, tevens huisbaas, heeft zijn `casa colonica' (huis behorend tot een landgoed) verhuurd aan de Nederlandse schrijver, maar hij doet ook regelmatig pogingen om hem eruit te pesten. Hij schept er een duivels plezier in onaangekondigd langs te komen en dan urenlang te blijven, zodat Provenier niet kan werken. Ook wil hij steeds de huur verhogen, of werpt hij barricades op, zodat vader en dochter soms 's avonds laat niet eens hun eigen huis binnen kunnen.

Toscane, boze buurman en vaderschap worden hier samengesmeed tot een genuanceerd en prikkelend verhaal. Net als in de bundel Stucwerk (2001) geeft Meijsing blijk van een gecompliceerde haat-liefdeverhouding met Italië. `Van de Toscaanse idylle was weinig over', laat hij Provenier op het eind mopperen, die intussen óók paradijselijke herinneringen koestert aan de tijd waarin hij zich met Chiara thuis voelde in Lucca. Zo is het ongeveer ook met de onberekenbare buurman Gigi, aan wie hij een steeds grotere hekel krijgt, maar die hij evengoed erkentelijk is, omdat hij hem wegwijs maakte in de Italiaanse gebruiken. Nooit bloemen mee als je bij iemand op bezoek gaat, weet hij van Gigi. Bloemen horen bij een begrafenis. Aan tafel niet `eet smakelijk' zeggen, of de gastvrouw complimenteren met het eten. Dat is onbeleefd. En vooral niet wachten tot de andere gasten ook zijn opgeschept, maar meteen beginnen met eten. Dat is wel beleefd. Ook goed om te weten: cappuccino wordt alleen door zieken en toeristen gedronken en dus niet door echte Italianen, die hun espresso's staande wegslurpen. Over de opvoeding van Chiara, niet helemaal volgens de regels, kan Provenier kort zijn: niet navolgenswaardig. Maar dat had de lezer zelf al begrepen.

Interessanter is haar veronderstelde boze oog, waaraan haar vader geheime krachten toekent. Zo zou Chiara als een soort voodoo-priesteres, gewoon door te kijken, mensen ziek kunnen maken, ze totaal van hun apropos brengen en taart en pudding doen mislukken. Erg geloofwaardig is de toverkracht niet die de vader zijn dochter toedicht. Zo is er wel meer in Malocchio dat men schouderophalend leest, zoals de vaak snoeverige passages over auto's (`mijn Citroëns gaan nooit onder de honderdtwintig, met superieur gemak') of over vrouwen. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de minnaressen in het leven van de schrijver, de ene nog slimmer, strakker in het vlees en wilder in bed dan de andere. Maar hoe verlekkerd hij ook schrijft over Zelda, Laura, Eefje, Donatella en Amira, – op de achtergrond zeurt een kinderlijk verongelijkte ondertoon mee. Want waarom verlaten al die mooie meiden hem vroeger of later weer? Waarom steken ze geen poot uit in het huishouden? Waarom lezen ze zijn boeken niet?

Bozer nog dan de blik van de dochter is die van de schrijvende vader, die overal bedrog en verval waarneemt. De veelgeroemde Toscaanse keuken? Eenvoudige boerenprak is het, met veel witte en bruine bonen. En pasta met olie en knoflook. De Italiaanse modewereld? De beste schoenen en overhemden komen uit andere landen. Een subtropisch klimaat? Nee hoor. Een landklimaat met verzengende hitte in de zomer en `winters waar niet tegenop te stoken valt'. En veel regen, net als in Nederland. Het Toscaanse landschap? Boerderijen worden er vervangen door luxewoningen, voor het toerisme. Dat mag eigenlijk niet, maar het wordt in `deze corrupte republiek' oogluikend toegestaan.

Ziehier het probleem van de balling, de thuisloze die nergens echt bijhoort. Hij verruilde het saaie, bekrompen Holland voor het paradijs, maar dat paradijs werd in de loop der jaren steeds kleiner. Totdat er nog maar een paar geliefde plekken overbleven, in en om het geliefde Lucca. Het zijn plekken – goed weggestopt in Malocchio – die ongenoemd blijven, zodat die niet ook nog door lompe, lawaaiige koopjesjagers in bezit kunnen worden genomen.

Geerten Meijsing: Malocchio. Een Toscaanse jeugd. De Arbeiderspers. 272 blz. €17,95