Bij Thomas was het altijd tof

In de televisiefilm Die Manns. Ein Jahrhundertroman die onlangs op de Nederland 3 te zien was, is hij een bijfiguur met maar een paar regeltjes tekst: Viktor Mann, de jongste broer van Thomas en Heinrich. In die bewuste scène brengen de twee gevierde schrijvers een bezoek aan het sterfbed van hun moeder. Tussen het waken door maken ze een wandelingetje in de sneeuw. Dan komt Viktor met het bericht dat moeder is bezweken. Heinrich slaat een arm om Viktors schouders en loopt met hem naar binnen, terwijl Thomas alleen achterblijft. Het is typerend voor de onderlinge verhoudingen: Heinrich, de hartelijke oudste broer, Thomas, de wat afstandelijke Einzelgänger, en Viktor, het jongere moederskind dat nog thuis woonde toen Heinrich en Thomas allang een volwassen bestaan leidden en hun eerste triomfen vierden.

Waarschijnlijk was iedereen Viktor Mann (1890-1949) vergeten als hij niet aan het eind van zijn leven, op aandrang van zijn vrienden, een boek had geschreven over zijn familie: Wir waren fünf. Bildnis der Familie Mann, nu op een respectvolle manier vertaald onder de titel We waren met zijn vijven. Portret van de familie Mann. Het boek was in 1949 een aanwinst voor de toen al zeer uitgebreide Mannologie. In de eerste plaats omdat het verhaal van de amazing family wordt verteld door een insider die tegelijkertijd een buitenstaander is omdat hij niets met het literaire bedrijf van doen heeft. Maar ook omdat het boek door een `echte Mann' geschreven is: in diezelfde mooie, heldere, ironische stijl die je van Thomas en Heinrich kent.

We waren met zijn vijven is echter niet alleen een familiegeschiedenis van de Manns, maar ook een schitterend portret van het Duitsland van de eerste helft van de twintigste eeuw. De nadagen van het keizerrijk en van de negentiende-eeuwse bourgeoisie zoals we die kennen uit Thomas' Buddenbrooks en Der Zauberberg, en het Pruisisch militarisme uit Heinrichs Der Untertan komen er uitvoerig aan de orde.

In de eerste helft van het boek beschrijft Viktor Mann vooral het dagelijks leven in zijn grootburgerlijke familie. Dat leven speelt zich voornamelijk af in München, waar zijn moeder na de dood van haar echtgenoot met haar jongste zoon en twee dochters is gaan wonen. Thomas en Heinrich zijn dan al literatoren van naam. Uit Viktors relaas komen ze naar voren als twee innig bevriende kunstenaars met een groot gevoel voor humor, op wie niets aan te merken valt. De jonge Thomas Mann is in de ogen van Viktor een grappenmaker en aansteller, die ervan houdt zich te verkleden en met alles en iedereen de draak te steken. Het is een beeld dat hemelsbreed verschilt van de aartstobber die hij na de Eerste Wereldoorlog wordt.

Maar behalve het leven van zijn moeder, broers en zusters beschrijft Viktor ook dat van zichzelf. Op het gymnasium is hij al net zo'n slechte en luie scholier als Thomas en Heinrich. Met veel zelfkennis en -spot zet hij zichzelf neer als een lanterfanter die in cafés hangt en achter de meiden aanzit. In dat opzicht lijkt hij verbazingwekkend veel op de figuur van Christian Buddenbrook. Toch is er ook iets waarvoor hij wel serieuze passie kan opbrengen: het boerenambacht, zoals hij dat heeft leren kennen tijdens zijn jaarlijkse vakanties in zijn jeugd op het Beierse platteland. Hij besluit dan ook naar de landbouwhogeschool te gaan en zal zijn werkende leven als agrarisch adviseur bij een bank doorbrengen. Ook trouwt hij met een leuke vrouw, reist veel, houdt van zeilen, blijft uitgaan en is in geen enkel opzicht afgunstig op zijn beroemde broers.

Met veel verve beschrijft Viktor de vele zonderlinge figuren die hij in zijn leven is tegengekomen en die hij later zal herkennen in de boeken van zijn broers. Ook vertelt hij uitvoerig over zijn tijd als preses van het studentencorps of als liefhebber van de, door de keizerlijke regering verboden, Latijns-Amerikaanse dansen. De losbandige moraal van de Weimarrepubliek was duidelijk aan hem besteed.

Viktors karakterisering van zijn familieleden is er een van niet-aflatende liefde. Bij Thomas is het altijd gezellig, Heinrich blijft de toffe broer die het liefst in zuidelijke landen vertoeft, hun beider boeken zijn unaniem geweldig. En als ze het eens niet met elkaar eens zijn, zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog, dan haten ze elkaar niet, maar gaan ze elkaar hoogstens een tijdje uit de weg. Dat de werkelijkheid in dat laatste conflict anders was en er wel degelijk sprake was van een pijnlijke breuk en zelfs van haat, weten we inmiddels uit Thomas' dagboeken. Maar je vergeeft het Viktor, omdat hij het waarschijnlijk echt zo ervaren heeft en zijn broers hun ware `ik' niet in familiekring hebben laten zien.

De eerste donkere wolk boven het Münchense familiegeluk is de zelfmoord in 1910 van Carla, de jongste zuster van de gebroeders Mann. Volgens Viktor is dat tevens het begin van Thomas' somberte, die zijn neerslag heeft gekregen in de novelle Der Tod in Venedig (1913). Thomas' werk wordt hierna door de verkrampte Duitse geschiedenis gedicteerd, met als hoogtepunt de afrekening met de gekwelde Duitse ziel in Doktor Faustus (1948).

Ook voor Viktor Mann begint het serieuze leven met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Vanaf dit moment ligt de nadruk van zijn relaas steeds minder op zijn familie, maar op zijn eigen belevenissen. En die zijn minstens zo fascinerend als die van zijn broers. Aan het front maakt hij de meest vreselijke dingen mee, waarover hij zeer terughoudend schrijft. Maar dat hij erdoor getekend is, valt niet te ontkennen. Het boeiendste deel van zijn beschrijvingen uit die tijd speelt zich af kort na de nederlaag van 1918, als de keizer gevlucht is en de communistische revolutie in München uitbreekt. Zelden heb ik een indrukwekkender verslag van de ondergang van het keizerrijk gelezen als bij hem. De wijze waarop hij beschrijft hoe de manschappen van een infanteriedivisie in een paar uur tijd van trotse, gedisciplineerde soldaten veranderen in een haveloze horde boeren, arbeiders en burgermannetjes is ronduit schitterend. Dit is revolutie, denk je dan, zo voltrekt zich een nederlaag.

Ook voor de opkomst van de nazi's heeft Viktor een scherp oog. Net als zijn broers walgt hij van Hitler, wiens stem hij analyseert als het geluid van minderwaardigheid en haat. Maar ook het Duitse volk krijgt ervan langs, vooral als het om zijn onmatigheid gaat, zijn verlangen naar de domme romantiek van het militaire leven en zijn enthousiasme voor het irreële. Dergelijke waarnemingen maken We waren met z'n vijven tot een fascinerend boek.

Na 1933 bleef Viktor Mann, anders dan zijn broers en hun gezinnen, in Duitsland. Zoals veel fatsoenlijke Duitsers ging hij ervan uit dat het wel los zou lopen met de nieuwe orde. Maar toen het te laat was, zat hij als een rat in de val. Hij paste zich aan om te kunnen overleven en leidde vanaf het uitbreken van de oorlog een onopvallend bestaan op het platteland. Dat hij na de oorlog zijn enige boek heeft geschreven is te danken aan een paar vrienden. Hij trok er drie weken voor uit, het werden twintig maanden. Daarin lijkt hij volgens zichzelf op Hans Castorp, die drie weken op de Toverberg wilde doorbrengen, maar er zeven jaren bleef. `Het moet in de familie zitten', zegt hij daar zelf over.

Viktor Mann: We waren met z'n vijven. Portret van de familie Mann. Vertaald door Elly Schippers. Atlas, 544 blz. €29,50