Tevreden en gelukkig mort het volk

De tevredenheid over de overheid nam vorig jaar dramatisch af, stelt nu ook het SCP vast. Toch waren de meeste mensen tevreden over hun leven. Een paradox.

. Dat het volk vorig jaar ontevreden was, kan niemand zijn ontgaan. Het Sociaal en Cultureel Planbureau kwam naar aanleiding van de kiezersrevolte onder vuur te liggen, omdat het enkele maanden eerder nog had geschreven dat de Nederlanders zo tevreden waren. Ze zaten ernaast, zo luidde de kritiek, onder meer van marktonderzoekbureau Motivaction. Hun meetinstrumenten zouden zijn verouderd, hun achtergrondvariabelen als leeftijd, opleiding en inkomen zouden tekortschieten in een tijd waarin lifestyle en waardeoriëntatie richting geven aan het handelen.

Inmiddels werkt het SCP samen met Motivaction aan een nader onderzoek naar de politieke onvrede van het afgelopen jaar. De resultaten daarvan worden dit najaar gepubliceerd. In het vandaag verschenen rapport De sociale staat van Nederland 2003 is al wel geput uit de hiervoor verzamelde gegevens, met name uit enquêtes die eind 2002, begin 2003 zijn gehouden. Vooralsnog bevestigen die gegevens de bekritiseerde SCP-rapportage. Maar er is wel iets raars aan de hand.

In het kader van een al vele jaren lopend onderzoek vraagt het SCP al jaren aan de respondenten of ze tevreden zijn met de regering, en of ze vinden dat de overheid goed functioneert. Sinds 1995 loopt de tevredenheid met regering en overheid elk jaar een heel klein beetje op. Het ging goed met Nederland, en de burger waardeerde dat. In 2000 daalde zowel de tevredenheid met de regering als die met de overheid een klein beetje. Een kleine fluctuatie, zo leek het toen. Achteraf blijkt het een trendbreuk, een prelude op een dramatische afname van de tevredenheid in 2002.

In 2000 vond nog 65 procent van de bevolking dat de overheid het goed deed, twee jaar later vond nog maar 35 procent dit. Nooit eerder stelde het SCP zo'n grote verandering in opvatting in zo'n korte tijd vast. Maar dat het bureau deze verandering in het rapport uit najaar 2001 niet had gezien, kan het nauwelijks worden verweten. Toen wás er nog weinig van te zien. En aangezien er geen precedenten waren van zulke grote veranderingen, was men daarop ook niet bedacht.

De algemene ontevredenheid over de overheid keert slechts in beperkte mate terug in meer gedetailleerde vragen over beleid. Over het beleid op het gebied van werkgelegenheid, kosten van levensonderhoud en opvang van buitenlanders is de waardering van 2000 op 2002 flink gedaald – 12 tot 31 procentpunt – maar als het gaat om de zorg is de tevredenheid toegenomen. Weliswaar was die niet groot, maar toch. Op terreinen als sociale zekerheid en onderwijs zijn dalingen van enkele procentpunten te bespeuren, niets spectaculairs.

De afname van de algemene tevredenheid over regering en overheid blijkt nauwelijks verschillen te vertonen naar geslacht, leeftijd, inkomen of opleiding. Het is geen jammerklacht der kanslozen. Academici verloren net zo veel vertrouwen als mensen met alleen basisschool. Alleen politieke oriëntatie maakt uit: wie links is, is minder tevreden. Aangezien de peiling ruim ná de Kamerverkiezingen van 2002 plaatsvond, mag dat geen verbazing wekken.

Geslacht, leeftijd, inkomen en opleiding geven dus geen enkele indicatie over de achtergonden van de onvrede. De vraag is of andere achtergrondvariabelen wel een scherper beeld bieden. Wellicht geeft de gezamenlijke publicatie van het SCP en Motivaction hierover uitsluitsel. Niet uitgesloten is dat de ontevredenheid helemaal niet is gedetermineerd door achtergrondvariabelen, dat het om `gewoon maar opvattingen' gaat.

Een aanwijzing daarvoor vormt de ontwikkeling van de feitelijke leefsituatie van burgers en hun eigen waardering daarvan. Ten behoeve van De sociale staat van Nederland construeerde het SCP een maat voor de `leefsituatie', waarin aspecten als gezondheid, bezit, maatschappelijke participatie en wonen zijn opgenomen. De leefsituatie blijkt van 1990 tot en met 2002 gestaag te zijn verbeterd. De gevolgen van de vorig jaar begonnen recessie zijn in het vandaag verschenen rapport nog niet zichtbaar.

In overeenstemming met de meting van het SCP zeggen burgers zelf ook tevreden te zijn met hun persoonlijk leven. Qua geluksgevoel is niets veranderd. Mensen zeggen in 2002 even gelukkig te zijn als in 1999. Deze uitkomsten bevestigen de conclusies die deze krant in december vorig jaar trok na uitvoerige vraaggesprekken met bijna honderd kiezers. Factoren die bijdroegen aan hun geluk – gezondheid, vakantie, familiegebeurtenissen – zijn vrijwel niet toegankelijk voor overheidsbeleid. De geïnterviewden verwachtten ook niet van de overheid dat die hen gelukkig maakte, wél dat die onheil afwendde, hen beschermde tegen de boze buitenwereld.

Onheil kwam er volop de laatste jaren: 11 september, de moord op Fortuyn, Enschede, Volendam, BSE, MKZ. Het SCP vroeg mensen naar hun betrokkenheid bij dit soort gebeurtenissen. Er blijkt geen bijzondere betrokkenheid te zijn. Bij het NIOD-rapport over Srebrenica – aanleiding tot het aftreden van het tweede paarse kabinet – is de betrokkenheid zelfs zéér gering. In het NRC Handelsblad kiezersonderzoek van april vorig jaar konden de meeste ondervraagden inderdaad geen begrip opbrengen voor het aftreden van het kabinet om die reden.

De regering hield zich dus in 2001 en 2002 bezig met kwesties die voor velen te ver van hun bed waren. Tegelijk deed zich onheil voor waartegen de overheid geen adequate bescherming bood. Dat maakte de burgers ontevreden. Maar de economie floreerde, er werden veel kinderen geboren, feestjes gevierd, prettige vakanties gehouden. Dat maakte de mensen heel tevreden en gelukkig.