Meer troepen naar Irak lost niets op

Het debat over Irak moet gaan over strategie, niet over aantallen, meent David Ignatius.

De Irakezen moeten voor alles de middelen krijgen om een veilig land op te bouwen

In een terugblik op de nederlaag van de Verenigde Staten in Vietnam concludeerde wijlen William Colby, voormalig hoofd van de CIA, dat de VS de oorlog op de verkeerde manier hadden gevoerd. In plaats van een schimmige vijand te bestrijden met speciale eenheden en inlichtingenoperaties, zo betoogde Colby, hadden de VS besloten ,,een oorlog te voeren in Amerikaanse stijl'', met meer dan een half miljoen militairen, die, naarmate het conflict zich voortsleepte, steeds meer werk hadden om zichzelf te beschermen dan de Vietnamezen.

,,De Amerikanen konden de vijand meestal niet vinden, en omdat het welhaast onmogelijk bleek om hem vast te pinnen, kwam de strijd doorgaans neer op het afweren van aanvallen, in plaats van in de beste militaire traditie met de vijand af te rekenen'', schreef Colby in zijn boek Lost victory, dat in 1989 uitkwam, zeven jaar voor zijn dood. Een veel betere strategie was volgens hem zich te concentreren op het beschermen van Vietnamese dorpen door middel van agressieve `pacificatie'-operaties, zoals het omstreden Phoenix-programma dat Colby van 1968 tot 1971 had geleid.

Nu tal van analisten op president Bush inpraten om meer troepen naar Irak te sturen, zijn Colby's aanmerkingen op de `overmilitarisatie' in Vietnam het bestuderen waard. Meer troepen sturen klinkt altijd goed wanneer het tegenzit op het slagveld, maar zoals Vietnam heeft laten zien is de inzet van een grotere, zwaardere strijdmacht niet per se een verstandig idee. Het grote Amerikaanse contingent, met alle logistieke extra's die dat meebrengt, zou ook de indruk kunnen versterken dat dit de oorlog van Amerika is – wat de vijand agressiever zou kunnen maken, onze bondgenoten ter plaatse passiever, en de Amerikaanse troepen kwetsbaarder.

Een voormalige hoge medewerker van het Pentagon uit de tijd van de oorlog in Vietnam weerlegde het argument dat meer troepen het antwoord zijn op de problemen van Amerika in Irak, in een paar woorden: de `Scheidsrechtersbond van de Baai van Cam Ranh'. Hij wist nog dat het aantal Amerikaanse militairen in Vietnam zo groot was geworden dat ze op de reusachtige VS-basis aan de Baai van Cam Ranh aan sport gingen doen; en omdat er zoveel spelers waren, waren er ook scheidsrechters nodig, en met al die scheidsrechters moest een scheidsrechtersbond komen. Maar dat alles bracht de overwinning geen stap dichterbij.

Tot dusverre heeft minister van Defensie Donald Rumsfeld de roep om meer troepen naar Irak te sturen naast zich neer gelegd. In plaats daarvan zou hij, met typisch rumsfeldiaans enthousiasme voor een `transformatie' van de gevestigde orde in het Pentagon, op zoek zijn naar nieuwe manieren om de effectiviteit van de strijdkrachten te vergroten zonder meer militairen te werven.

Maar al is Rumsfeld nog zo sceptisch over de conventionele militaire aanpak, het is mogelijk dat hij zich in Irak schuldig heeft gemaakt aan een eigen versie van overmilitarisatie. Hij heeft de naoorlogse problemen niet zien aankomen, bijvoorbeeld dat de infrastructuur en de politie van het land weer zouden moeten worden opgebouwd. In plaats daarvan richtte hij zich op de Amerikaanse militaire bezetting, die in toenemende mate het doelwit is geworden van een beperkt maar meedogenloos verzet.

Volgens Robert Andrews, een voormalige commando uit Vietnam die tot vorig jaar hoofd speciale operaties was in Rumsfelds Pentagon, heeft de oorlog in Afghanistan laten zien dat tegen een terroristische vijand lichte, snelle speciale eenheden die samenwerken met plaatselijke bondgenoten veel effectiever kunnen zijn dan een conventionele strijdmacht.

Andrews is van mening dat als de oorlog in Irak een kwestie van oproerbestrijding wordt, de Verenigde Staten verstandige besluiten zullen moeten nemen ten aanzien van strategie en aantallen troepen. Bij slecht nieuws moet Amerika zich niet halsoverkop terugtrekken, maar dat betekent niet dat automatisch meer troepen moeten worden ingezet om een ondeugdelijke strategie uit te voeren.

Uit het Pentagon klonk laatst één hoopgevend teken dat binnen de strijdkrachten creatief en onconventioneel wordt gedacht over Irak. Eind augustus vertoonde de leiding van de afdeling speciale operaties van het Pentagon in de aula van de landmacht de klassieker De slag om Algiers, waarin wordt onderzocht hoe de Fransen, ondanks hun overweldigende militaire superioriteit, door het Algerijnse verzet werden verslagen. Een foldertje van het Pentagon waarin de film werd aangekondigd, plaatste hem in een griezelig historisch perspectief: ,,Hoe win je een slag tegen het terrorisme en verlies je de oorlog der ideeën? [...] Kinderen schieten soldaten van vlakbij neer. Vrouwen leggen bommen in cafés. Spoedig raakt de hele Arabische bevolking in wilde razernij. Klinkt dit vertrouwd? De Fransen hebben een plan. Tactisch is het een succes, maar strategisch mislukt het. Wie wil begrijpen waarom, moet deze zelden vertoonde film komen zien.''

Het debat over Irak moet gaan over strategie, niet over aantallen.

Amerika moet de Irakezen de middelen verschaffen om een modern, veilig land op te bouwen – en dan moet het opstappen. De strijdmacht die die taak volbrengt, is de juiste strijdmacht.

David Ignatius is columnist.

© Washington Post Writers Group.