Irak-debat en oppositie

Bas Heijne schetst een onthutsend beeld van onze democratie in de huidige Irak-crisis (NRC Handelsblad, 30 augustus).

Terwijl er elders felle debatten worden gevoerd over de rechtvaardiging van die oorlog, blijft het hier stil vanwege `een angstwekkend moreel vacuüm in de politiek' [...] met `een schrijnend gebrek aan ideeën en overtuigingen'. Daarom doet de regering er alles aan om zich moreel niet te hoeven verantwoorden voor haar keuze.

Die analyse lijkt me juist. En de treurige staat waarin de democratie verkeert ligt inderdaad niet alleen aan de regering. Ook de oppositie zit in dat vacuüm. Zij laat zich voortdurend de mond snoeren terwijl de kansen voor een principieel debat voor het oprapen liggen.

Nu de hoofdreden voor de aanval op Irak is komen te vervallen, kan die oorlog onjuist worden genoemd. Onze regering doet echter alsof er niets aan de hand is. Zij steunde die oorlog immers om een heel andere reden dan massavernietigingswapens. De logica van dat argument ontgaat me. Want ook al staat de regering om een afwijkende reden achter een onjuist gebleken oorlog, dan blijft die oorlog onjuist en is zij voor haar steun aan en de gevolgen van die oorlog ten volle verantwoordelijk.

Over die afwijkende reden valt ook wel iets te zeggen. Onze regering vond dat het spelletje dat Saddam Hussein met de VN speelde maar eens afgelopen moest zijn. Zij haakte hierbij in op VN-resolutie 1441 en interpreteerde `ernstige gevolgen' als oorlog.

Met deze extreme interpretatie ging het Nederlandse kabinet in tegen de mening van zowel de meerderheid van de eigen bevolking als van de wereldgemeenschap. En zelfs onder de voorstanders van die oorlog staat ons land met haar mening alleen. Wat is dit argument, waarachter onze regering zich zo krampachtig verschuilt, dan nog waard?

Voor de oppositie zouden dit gouden tijden moeten zijn.