Bedrijfsleven mag niet over zichzelf beslissen

`Eigen macht is hoogste macht' was een gevleugeld gezegde van de vermaarde Amsterdamse hoogleraar recht, mr. A. Pitlo. Gelijk had hij. Wie zelf – zonder inmenging van anderen – zijn zaken kan regelen staat op de top van een piramide en hoeft zich van het `gekrioel der dwergen' niet veel aan te trekken.

Het is onbegrijpelijk dat de overheid een commissie à la Tabaksblat vrij baan geeft

Tot voor kort, of, beter gezegd nog steeds, geldt dit voor een belangrijk deel van de toppen van het Nederlandse bedrijfsleven. De grote ondernemingen worden bestuurd en het toezicht op deze besturen wordt verzorgd door een betrekkelijk besloten club van voornamelijk heren, die een vertrouwelijk hecht netwerk in stand houden. Bestuur en toezicht op het bestuur wordt in het huidige modieuze jargon aangeduid met corporate governance. En met corporate governance zit het – om het zacht uit te drukken – niet overal goed. Beloningen van bestuurders zijn de laatste jaren de pan uitgerezen en het toezicht op het bestuur heeft niet overal vlekkeloos gefunctioneerd. Voor de hoogte van de `uitspattingen' in de beloningen was heel vaak niet van belang of het met de onderneming goed of slecht ging. Ging het met een onderneming goed, dan moest met een `hou me vast of ik emigreer'-argument talent voor Holland behouden blijven en ging het slecht dan werd betrokkene met een pot geld naar de Côte d'Azur gestuurd. En ook het immigratie-argument wordt gehanteerd: als wij die Amerikanen niet goed kunnen betalen, komen zij niet naar ons toe.

Tot voor kort mocht ook niemand weten wat de heren verdienden, daar is nu ook enige openheid over gekomen, maar van volledige transparantie is geen sprake. Het inkomen van mensen is in Nederland nog steeds een taboe-onderwerp en dat geldt in nog sterkere mate voor de bijdrage die mensen leveren aan de algemene middelen: de belastingen. Op dat punt zijn veel buitenlanden transparanter, maar daar willen onze boven-heren liever niet aan. Kort en slecht: het Nederlands regentendom wil koste wat het kost zijn bevoorrechte positie behouden en krijgt daarvoor van zowel de vorige paarse regering en van het huidige rechtse kabinet alle steun.

Paars vond het prachtig dat de commissie Peters in 1997 pleitte voor zelfregulering met als voorspelbaar gevolg dat de bestaande machtspositie van commissarissen en bestuur op geen enkele manier in gevaar werd gebracht. Commissarissen benoemen bij structuurvennootschappen zichzelf en het bestuur heeft bij andere vennootschappen van aandeelhouders weinig te vrezen door gebruik te maken van allerlei beschermingsconstructies. De macht binnen vennootschappen is meestal geconcentreerd binnen een kleine groep: in zogeheten structuurvennootschappen hebben commissarissen de macht in handen en bij gewone vennootschappen trekt in de praktijk een, het bestuur gunstig gezinde, minderheid van aandeelhouders aan de touwtjes.

De commissie Peters was voor alles in, behalve voor wetgeving. Een kind kon dan ook voorspellen dat het effect van deze voorstellen verwaarloosbaar is geweest.

Vooral gewone aandeelhouders, vaak zijn dat mensen die denken dat zij aandeelhouder zijn, maar in werkelijkheid certificaathouder zijn (kort gezegd wel geld, geen zeggenschap), zijn er qua machtspositie niet op vooruit gegaan. Vertegenwoordigers van gewone aandeelhouders gingen wel steeds meer kabaal maken; begrijpelijk, na de pijnlijke beursval en bedrijfsschandalen. Minder begrijpelijk is dat de overheid het bedrijfsleven weer in de gelegenheid heeft gesteld om zelf de zaken te regelen. Want de commissie Tabaksblat, die nu voorstellen heeft gedaan voor een code, is geen overheidscommissie, maar een initiatief van private partijen zoals VNO-NCW, het Nederlands Centrum van Directeuren en de Vereniging van Effectenbezitters – een deelverzameling van wat in het jargon de stakeholders worden genoemd.

Opvallende afwezigen: vertegenwoordigers van de factor arbeid. Verrassend is dit laatste niet, want op het punt van de medezeggenschap binnen ondernemingen laat de vakbeweging het al jaren zo goed als afweten. Kennelijk heeft men het lichtend voorbeeld van de heer Kok voor ogen, die nu zelfs excessieve loonstijgingen van de ING-top als commissaris voor zijn rekening neemt. Op de aanbevelingen van de commissie Tabaksblat, die aandeelhouders iets meer macht geven en werknemers in de kou laten staan, is door het topje van de commissarissenclub in eerste instantie enigszins naïef en publicitair onverstandig gereageerd: men kwam in het geheim bijeen. Om de schade te beperken werd na de bijeenkomst `harmonie' gecommuniceerd. Ook VNO-NCW omhelst de voorstellen van Tabaksblat, zij het met belangrijke kanttekeningen. Maar, Tabaksblat legt geen bindende regels op, want de commissie wil geen wetgeving, maar zelfregulering met `pas toe of leg uit'-druk. Bezwaar hiertegen is dat regels voor het bedrijfsleven, die de grenzen aangeven waarbinnen dat bedrijfsleven kan functioneren, door deelbelanghebbenden en niet door behartigers van het algemeen belang worden vastgesteld. Het is toch te gek voor woorden dat een belangrijke sector van onze maatschappij aan dit democratisch adagium kan ontsnappen. Dat wetgeving star en strak is, langzaam tot stand komt en meer van dit soort bezwaren, zijn in de praktijk argumenten die vooral dienen om bestaande machtsposities te beschermen. Het kabinet, daarbij gesteund door het parlement, heeft al een paar keer laten zien dat het razendsnel nieuwe regels kan invoeren. Het kabinet stelt ten onrechte dat door middel van wetgeving niets zal en kan worden gedaan aan de hoogte van topinkomens.

Dit teken van onmacht is een uitnodiging voor de vakbeweging om macht binnen ondernemingen te gaan veroveren. Randvoorwaarden voor markten en ondernemingen, en ook randvoorwaarden voor de overheid zelf, behoren door een democratisch gekozen overheid te worden vastgesteld en niet door behartigers van deelbelangen. Dus géén code voor het bedrijfsleven door het bedrijfsleven.

J.Th. Degenkamp is oud-hoogleraar rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen.