Tati maakte het puurste wat film te bieden heeft

Iedere liefhebber zal zijn eigen favoriete Tati-scène hebben, maar deze, uit Trafic, is typerend voor zijn werk. In een enorme hal zijn her en der plukjes mensen aan het werk. De hal is leeg, we weten al dat hier een autoshow komt en dat deze mensen iets met de inrichting ervan te maken hebben. We horen dat ze praten, we horen niet wat ze zeggen. Ze lopen van links naar rechts, van achter naar voor en steeds, om de paar passen, zien we hoe ze hun benen hoog heffen om over iets heen te stappen. Het moeten touwen zijn, die de afmetingen van de verschillende stands markeren, maar wij, de kijkers, zien ze niet. Wat wij zien is dat stijve ballet van heren, resoluut als dressuurpaarden.

Als je alle films van Jacques Tati ziet, en een rondreizend retrospectief maakt dat vanaf deze week ook in Nederland mogelijk, dan zie je het werk van iemand die steeds meer afstand neemt van zijn grootste succesnummer – dat is hijzelf – en die het verruilt voor een volstrekt eigenzinnige en compromisloze vorm van filmkomedie en filmkunst. De scène uit Trafic (1971) heeft geen hoofdpersoon. De mannetjes in de hal kennen we helemaal niet, we kunnen hun gezichten niet onderscheiden. Ze doen niets grappigs, ze zijn gewoon aan het werk. We hóren ook niets grappigs, alleen het gerabarber van hun verre stemmen. En intussen heeft de regisseur ons gedwongen precies zo te kijken als hij ernaar heeft gekeken – en erom te lachen, want het is onweerstaanbaar.

Het beschrijven van onweerstaanbare Tati-scènes is verleidelijk, hij heeft er zoveel gemaakt in zijn kleine oeuvre van zes speelfilms en een handvol korte. Maar het is ook zonde. Het is pure film. Tati op zijn best is de optelsom van beeld, situatie, timing, beweging, decors en geluid die film op zijn best is.

Hoogtepunt in het retrospectief, dat in Amsterdam, Den Haag, Nijmegen, Maastricht en Groningen opent en daarna door Nederland zal reizen, is de vertoning van een nieuwe 70mm-kopie van Playtime. Dit is de meest ambitieuze film van Tati en tevens het project dat hem aan de rand van de afgrond bracht. Hij moest, hoe symbolisch, de rechten van zijn oude succesfilms verkopen om zijn schulden voor Playtime te kunnen aflossen. Waarom is dat zo symbolisch? Omdat juist in Playtime de afstand tussen Tati de filmmaker en Tati de succesvolle filmkomiek het grootst is.

Tati begint zijn carrière als mimespeler, voor de lol, op de Parijse sportclub waar hij rugbyt. Later professioneel, bij het variété. Wat hij daarvan leert, neemt hij mee naar de film, als acteur en regisseur. In een interview uit 1950 zegt hijzelf: ,,Alle filmkomieken die die naam waardig zijn, zijn begonnen in de music-hall of in het circus.''

Je herkent de music-hall artiest moeiteloos in de eerste film die hij regisseert, Jour de Fête (1949). Sketches rond een dorpsfeest, met postbode François (Tati) als centrale figuur. En François worstelt, net als Chaplin of Keaton, met de dingen om hem heen. Zie hoe hij een brief in zijn tas wil stoppen, of hoe hij zijn fiets probeert te bestijgen met een hek ertussen. Pure timing-grappen. De film als rijgdraad van sketches uit een onemanshow.

Met zijn volgende films, Les vacances de Mr. Hulot ('53) en Mon Oncle ('58), exploiteerde Tati ten volle zijn tegelijkertijd houterige en soepele typetje, nu Mr. Hulot geheten. Ze werden alom goed ontvangen, Mon Oncle kreeg een Oscar.

Daarna koos Tati voor Playtime (1967). Een film zonder hoofdrol, of het moesten de futuristisch-grootstedelijke decors zijn, en zonder dialogen. Met elke scène zet Tati hier een valstrik voor zijn publiek. Al vanaf het eerste gebouw dat we zien, zijn we de weg kwijt, zoals Mr. Hulot al eerder in de moderne wereld de weg kwijtraakte. Niets van de overvloedig met design overladen omgeving verwijst nog naar de functie ervan. Is dit een ziekenhuis? Een vliegveld? Een kantoor? En dan heeft hij ook nog allemaal nep-Hulots losgelaten in die hightech-omgeving, die wij, en soms ook de medespelers, aanzien voor de echte Hulot. Grappig in de gebruikelijke zin van het woord is haast niets meer. Tati kijkt en kijkt tot hij in het alledaagse het grappige heeft gevonden.

Het bleek nogal veelgevraagd van het publiek. Ruim twee uur zoeken naar houvast en het nooit krijgen. Maar intussen word je wel vergast op het puurste wat film te bieden heeft.

Retrospectief Jacques Tati, in Amsterdam, Filmmuseum (t/m 5 november); Den Haag, Filmhuis Den Haag; Groningen, Images; Maastricht, Lumière; Nijmegen, LUX (t/m 1 oktober). Vanaf 2 oktober reizend langs 20 theaters.