Leegte

De Achterpagina bracht lelijk Nederland in kaart. Vandaag de laatste aflevering, over het Kelfkensbos in Nijmegen, een van de vele lelijke, naoorlogse pleinen.

Nederland heeft geen mooie pleinen, hoor je vaak beweren. Vooral mensen die met vakantie naar Italië gaan en daar oude stadjes bezoeken, houden van dit cliché. Maar in dit geval is het cliché maar half waar: Amsterdam, Utrecht, Maastricht, Den Bosch – al deze steden hebben mooie, oude pleinen. De oude pleinen in Groningen zijn zelfs bestand gebleken tegen bombardementen en naoorlogse wederopbouw.

De ware helft van het cliché is dat de 20ste-eeuwse Nederlandse stedenbouw nauwelijks of geen mooie, prettige pleinen heeft opgeleverd. Berlage's Mercatorplein in Amsterdam-West, waar de politie onlangs een messentrekkende eethuisbezoeker doodschoot, is een uitzondering. Vooral na de Tweede Wereldoorlog, toen het grootste deel van Nederland is gebouwd, is de kunst van het pleinen maken verloren gegaan. De oorzaak hiervan is niet moeilijk aan te wijzen: de fatale combinatie van de opkomst van het autoverkeer en de doorbraak van het modernisme in de architectuur en de stedenbouw. Volgens de dogma's van de modernisten moesten stedelijke ruimtes, anders dan die in Italiaanse stadjes, niet besloten zijn, maar juist open. Licht, lucht en ruimte was hun devies.

De modernistische open ruimtes waren niet zomaar open. Ze waren een metafoor voor de vooruitgang, voor de breuk met de beslotenheid van het benepen verleden en voor de stralende toekomst van de open, vrije maatschappij vol nieuwe mogelijkheden. Maar het probleem met de modernistische openheid is dat de open ruimtes vaak ontaardden in deprimerende leegtes waar iedereen de lust verging iets te ondernemen. Desondanks zijn architecten en stedenbouwkundigen vooral in Nederland geobsedeerd gebleven door de open ruimte. In het laatste decennium van de 20ste eeuw kreeg Nederland, het Cuba van de architectuur, waar het modernisme tot het einde van de eeuw overheersend bleef, zelfs weer een serie extreem lege pleinen, zoals het Schouwburgplein van West 8 in Rotterdam.

Ook het Kelfkensbos in Nijmegen uit 1999 is zo'n orthodoxe 20ste-eeuwse leegte. Het plein is een onregelmatig vierhoekige hap uit het groene stuk Nijmegen aan de voet van de Waalbrug. Aan twee zijden wordt het begrensd door groen en bomen, een gevelwand langs de doorgaande weg die de naam Kelfkensbos draagt, vormt de derde zijde. Het nieuwe museum Het Valkhof, ook uit 1999, is voor de begroeide bult van het Kelfkensbos geplaatst en vormt de vierde kant van het plein.

Het Kelfkensbos ligt op een onderaardse parkeergarage van 600 auto's. Veel meer dan een naargeestige, met zwarte klinkers bestrate vlakte is het niet. Het nieuwe museum Het Valkhof, ontworpen door Ben van Berkel, bekend van de Erasmusbrug in Rotterdam, vergroot de onherbergzaamheid van het plein nog. De groene, matglazen façade werkt eerder afwerend dan uitnodigend: het gebouw oogt als een of ander kantoor langs de snelweg waar anderen dan degenen die er werken, niets te zoeken hebben.

Vermoedelijk hebben de twee ontwerpers van het Kelfkensbos, Mark van Gils en Michael van Gessel, hun ontwerp vergezeld doen gaan van een verhaal over een `neutrale open ruimte die de bewoners van Nijmegen moeten koloniseren' of een andere theorie over openheid die aan het eind van de 20ste eeuw onder pleinontwerpers in de mode was.

Maar `gekoloniseerd' wordt het plein alleen op zaterdagen en maandagen als er een grote markt is. De rest van de week wordt het slechts gebruikt door museumgangers die zich haasten naar de ingang van Het Valkhof. Voor de rest van de bezoekers is het plein niet meer dan het eigenlijk is: het dak van een parkeergarage waar je geen seconde langer wilt blijven dan strikt noodzakelijk is.