Ba'asyir moest nu eenmaal de cel in

De veroordeling, gisteren in Indonesië,van de radicale godsdienstleraar Abu Bakar Ba'asyir roept verdeeldheid op. De uitspraak is vlees noch vis en lijkt politiek geïnspireerd.

,,Niet eerlijk!'', riepen leerlingen en bewonderaars van de veroordeelde. ,,Een politiek vonnis'', reageerden zijn advocaten. ,,Voor alle partijen teleurstellend'', menen waarnemers in binnen- en buitenland.

De veroordeling van de radicale godsdienstleraar Abu Bakar Ba'asyir, gisteren, tot vier jaar cel krijgt nergens – in Indonesië noch in de buurlanden – de handen op elkaar, want de uitspraak is vlees noch vis. De aanklacht, hoogverraad, steunde niet op onomstotelijk bewijs, terwijl zoveel krachten aandrongen op een veroordeling – de uitvoerende macht, de buren – dat de rechtbank niet durfde besluiten tot vrijspraak.

Ba'asyir (65) is de grand old man van de radicale islam in Indonesië. Het staat wel vast dat hij in 1972 in Midden-Java een school oprichtte waar leerlingen wordt ingeprent dat de islam geen hoger beginsel erkent – tolerantie, rechtsstaat noch patriottisme – dan de eigen geloofsleer en dat invoering van de islamitische wet niets minder is dan een geloofsplicht.

Vaststaat ook dat de leraar onder het bewind van potentaat Soeharto om zijn opvattingen werd vervolgd en vier jaar gevangen zat. Het is zeker dat hij zich in 1985 in het buurland Maleisië vestigde en in 1999, na een amnestie van president Wahid, terugkeerde naar Indonesië.

Niemand betwijfelt, ten slotte, dat Ba'asyir daarna voorzitter werd van de Majelis Mujahidin Indonesia, een koepel van moslimorganisaties die in Indonesië langs vreedzame weg de islamitische wet willen invoeren. Dat alles was echter geen reden om hem voor het gerecht te dagen.

Dat Ba'asyir in 1993 samen met zijn eveneens uitgeweken geestverwant Abdullah Sungkar aan de wieg stond van Jema'ah Islamiyah (JI), een regionaal netwerk van radicale moslims, staat alleen vast voor de inlichtingendiensten en de politie van de VS, Australië, Maleisië en Singapore, voor hun Indonesische collega's en voor enkele onafhankelijke analisten.

De stellingen dat JI verantwoordelijk is voor een reeks bomaanslagen in de regio, waaronder die op twee toeristendisco's in Bali, in oktober vorig jaar, en dat Ba'asyir sinds de dood van Sungkar in 1999 de amir (leider) is van JI, berusten alleen op sterke aanwijzingen en zijn nooit aangetoond voor een onafhankelijke rechter.

Het proces tegen Ba'asyir, dat begon op 23 april, was van meet af aan bedoeld om dat wettige en overtuigende bewijs te leveren. Voor alle duidelijkheid: de radicale geleerde stond niet terecht wegens zijn aandeel in één van de aan JI toegeschreven gewelddaden, maar wegens `samenzwering tot omverwerping van het wettige gezag' en een poging om in Indonesië een islamitische staat te vestigen. Dat laatste is een variant van het eerste, want de grondslag van de Indonesische staat is de filosofie Pancasila (Vijf Zuilen). Een van die zuilen is `geloof in God', maar de grootste in Indonesië beleden godsdiensten zijn gelijk voor de wet.

Ba'asyir kon in 1978 worden veroordeeld omdat rechters onder Soeharto de uitvoerende macht op zijn wenken plachten te bedienen. Sinds diens val in 1998 is de rechterlijke macht echter van die plicht ontslagen.

De politie en het openbaar ministerie zijn er in de lange aanloop naar het proces – Ba'asyir werd in oktober opgepakt – niet in geslaagd met overtuigende bewijzen te komen dat de regionale JI-hiërarchie gehoorzaamt aan de bevelen van beklaagde. De enige getuigen die dit beweerden zitten voor onbepaalde tijd vast in Singapore en Maleisië krachtens de daar geldende Internal Security Act. Menigeen is geneigd in te stemmen met Ba'asyirs advocaten, die zeggen dat deze verklaringen niet vrijwillig zijn afgelegd.

De tientallen Indonesiërs die zijn opgepakt wegens hun aandeel in de vele bomaanslagen van de afgelopen drie jaar hebben schuld bekend, maar nooit toegegeven dat zij deel uitmaken van JI. Ofschoon de autoriteiten de regionale commandostructuur van JI intussen kunnen uittekenen, blijven zij jagen op een schim.

Het vonnis van gisteren – vier jaar wegens `betrokkenheid bij staatsondermijnende activiteiten', valsheid in geschrifte en overtreding van de immigratiewet – heeft in die situatie geen verandering gebracht. De rechtbank had namelijk even weinig bewijzen voor haar stelling dat Ba'asyir ,,niet kan worden losgezien van JI'' als voor de als onbewezen verworpen bewering van het OM dat hij de leider is van deze spookorganisatie.

De advocaten van Ba'asyir hebben dan ook gelijk als zij reppen van een `politieke uitspraak'. Het openbaar ministerie heeft alleen kunnen vaststellen dat Ba'asyir bij zijn vertrek in 1985 en zijn terugkeer in 1999 de immigratiewetten heeft overtreden. Van hoogverraad – de hoofdmoot van de aanklacht – waren de rechters niet zo zeker. Zij voelden echter de hete adem in hun nek van regering en politie, die het een zaak van nationaal belang achtten om de door de rest van de wereld als stokebrand bestempelde prediker te veroordelen. Daarom besloten zij tot een compromis: een relatief licht vonnis, zonder overtuigende wettelijke grondslag.