Theodorakis wekt onbewoond Makronísi weer tot leven

,,Dit landschap is hard als de stilte... Er is geen water, alleen licht.'' Dichtregels van Jannis Ritsos, die van toepassing zijn op het langgerekte eiland Makronísi, voor de kust van Attica, elf bij één kilometer, dat tijdens en na de Griekse burgeroorlog (1946-1949) dienst deed als `heropvoedingskamp' voor linkse militairen en militairen die uit linkse families kwamen. Ritsos zelf heeft er een tijd vertoefd, evenals de componist Theodorakis, die er in 1949 op krukken af kwam. Bijna 100.000 zijn er afgepeigerd, sommigen maanden, anderen jaren.

Het barre eiland is afgelopen weekeinde, na 45 jaar onbewoond te zijn gebleven, weer tot leven gewekt met concerten van het orkestje van de componist, gewijd aan Ritsos en een andere overleden dichter die er heeft gezeten, Livadítis. Bijna kon men van een pelgrimage spreken. Meer dan dertienduizend bezoekers, van alle leeftijden, maakten op een van de drie avonden de nogal moeizame tocht, eerst per auto of bus naar de haven van Lavrion, dan met volgepropte schepen naar de overkant, ten slotte weer met een van de negen afgedankte bussen uit Piraeus, langs de door de rekruten aangelegde weg naar het openluchttheater, eveneens gebouwd door de `pioniers' van de jaren '40 en '50.

In dit theater probeerde men de rekruten `weer tot Grieken te maken', er kwamen bekende acteurs met patriottische fragmenten uit antieke tragedies en de soldaten voerden zelf ook toneelstukken op. Maar dat was de meer idyllische kant van hun `heropvoeding'. In werkelijkheid ging het om eindeloze mishandelingen, bedreigingen en kwellingen zoals de onthouding van water en voedsel, waarmee de rekruten moesten worden gebracht tot het tekenen van een `spijtverklaring'. Al meteen bij aankomst moest men roepen `leve groot Griekenland'. Wie dit weigerde werd lens geslagen.

Hoeveel doden er zijn gevallen is nog steeds niet uitgemaakt, evenmin als het aantal mensen dat de verklaring heeft getekend en dat daardoor in de communistische partij een soort non-personen werd. Wel is bekend dat er in de nacht van 28 op 29 februari 1948 driehonderd mensen zijn geëxecuteerd (onder andere met kanonnen) die de verklaring weigerden te tekenen. Velen ook hebben er hun verstand verloren. Het ergst waren de folteringen in de cháradra (kloof), terwijl sommigen de straf van het isolement funest werd.

Door de leiding van het kamp werd gewerkt aan een geleidelijke `vergrieksing' van elke rekruut afzonderlijk. Gestreefd werd naar een uiteindelijke apotheose, waarbij hem een – ongeladen – wapen werd uitgereikt. Daarmee mocht hij dan naar het front om zijn voormalige kameraden te bestrijden.

Binnenlandse en buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders werden aangevoerd om getuige te zijn van de meest smetteloze manifestaties. De Nederlandse gezant Boissevain vertelde mij in 1951 sarcastisch dat hij bij zijn bezoek met spreekkoren `welkom Boissevain' was begroet. De latere president Tsátsos feliciteerde de gevangenen dat zij in deze `doopvont van het Griekendom' mochten leven, en de toenmalige minister van Defensie, later premier Kanellopoulos sprak van een `hergeboorte' en van een `tweede Parthenon'. Inderdaad moesten de gevangenen werken aan een imitatietempel waarvan nog delen overeind staan.

Spookachtig was dit weekeinde voor velen de tocht naar Makronísi, vooral voor vroegere bewoners van het kamp die op de eerste rij mochten zitten, vóór de ministers Jorgos Papandreou en (tevens mede-organisator) Nikos Syfounákis. Aan het eind van het tweede concert verscheen Theodorakis (78) om het laatste van Ritsos' `achttien liedjes uit het verbitterd vaderland' te zingen: ,,Huil niet om de Griek, ook al ligt het mes op zijn botten. Ziet, hij staat alweer op om het monster te doden met de harpoen van de zon.''

De concerten kregen, zoals vrijwel alles in Griekenland, ook nog een politieke achtergrond. De rechtse oppositieleider Konstantinos Karamanlis was de laatste maanden bezig linkse stemmen te winnen met het oog op de komende verkiezingen die hem aan de macht moeten brengen. Hij bezocht de voormalige communistenleider Florakis en ook het eilandje Ayos Stratos, dat vele communisten, onder wie Ritsos, tot deportatieoord heeft gediend. Hij sprak van de noodzaak tot `vergetelheid' en verzoening.

Vanuit deze filosofie had hij eigenlijk ook naar Makronísi moeten gaan, maar de concerten vielen toevallig samen met het andere uiterste: de jaarlijkse herdenking op de Grammosberg van het eind van de burgeroorlog, die daar in 1949 werd beslecht ten gunste van de regeringstroepen. In het verleden werd deze 30ste augustus `Dag van de Griekse militaire deugd' genoemd. Zijn partij Nieuwe Democratie stuurt nog jaarlijks afgezanten naar de viering. Dit zijn ultra-rechtse kopstukken, die waarschijnlijk uit de partij zouden treden als Karamanlis Makronísi zou hebben bezocht. Hij koos voor een tussenoplossing en bezocht met zijn echtgenote en pasgeboren tweeling zijn oude vader Alekos, die 30 augustus verjaart.