Opnieuw aarzelt Turkije om Amerika te helpen

Turkije heeft zijn twijfel over het sturen van troepen naar Irak waarom de VS het hebben gevraagd. Riskeert Ankara een nieuwe aanvaring met Washington?

Op het eerste gezicht leken de uitspraken van de Turkse premier Erdogan glashelder. Natuurlijk is hij er voorstander van om Turkse soldaten naar Irak te sturen, zoals Washington Ankara heeft gevraagd, om daar te helpen bij de wederopbouw, zo liet hij de nieuwszender CNN Türk vrijdag weten.

Maar na die bevestiging kwamen de voetnoten. Het zou het helpen, zo voegde hij eraan toe, als er iets van een internationaal mandaat van de Verenigde Naties zou zijn zodat de troepen in Irak een vredesmacht vormen en geen bezettingsmacht. En het zou ook fijn zijn als de Verenigde Staten nu duidelijk maken naar welke regio de Turkse troepen zouden gaan. En toen kwam de aap uit de mouw. Als Turkije dat weet, aldus Erdogan, kan de regering bepalen of het een voorstel aan het parlement gaat voorleggen om troepen naar Irak te sturen. De conclusie was duidelijk: het staat nog helemaal niet vast of Turkse troepen in Irak actief worden.

Verwonderlijk is die aarzeling van Turkije natuurlijk niet. Erdogan mag dan niet weten waar de Turkse troepen naar toe zouden gaan, de Turkse pers weet het wel: Falluja is de bestemming. En dat heeft het enthousiasme van de gemiddelde Turk voor de operatie niet groter gemaakt. Washington mag dan geloven dat Turkse (sunnitische) moslims beter geaccepteerd zullen worden door de sunnieten in dat Iraakse gebied dan Amerikaanse militairen, maar de Turken zelf zijn daar lang niet zo zeker van. Vorige week nog beloofde de burgemeester van Falluja de Turken ,,de hel'' als ze zouden komen. In een poging de zaak wat te masseren hebben de Turken de leiders van een aantal clans uit dat gebied naar Ankara uitgenodigd voor overleg. Maar na de aanslagen van de afgelopen tijd blijft Irak een riskant gebied – Falluja of geen Falluja.

Veel waarnemers in Turkije beginnen een akelige parallel te zien tussen de aanloop tot de oorlog tegen Saddam Hussein en de situatie nu. Ook toen liet Ankara aanvankelijk weten aan Washington dat het van de partij zou zijn, maar toen puntje bij paaltje kwam gaf het geen toestemming voor de stationering van duizenden Amerikaanse soldaten op Turkse bodem. Het besluitvormingsproces in Turkije kreeg toen van niemand de schoonheidsprijs. Eerst eiste Ankara een grote som geld om de vermeende kwalijke effecten van de oorlog op de Turkse economie op te vangen, maar vervolgens tapte de regering uit een heel ander vaatje. Nadat het parlement de stationering tijdens een chaotische zitting had afgewezen, liet Ankara Washington weten dat volk en parlementariërs geen heil zagen in de oorlog en dat Turkije dus afhaakte.

Ook nu begint Turkije weer terug te krabbelen. Enige weken geleden liet een hoge militair nog weten dat Turkije niet werkeloos kon toekijken als er instabiliteit bij de buren was, waarbij overigens de onafhankelijkheidsdrang van de Koerden ook een belangrijke rol speelt. En minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Gül zei in een vraaggesprek met een Turkse krant dat het nationale belang van Turkije zich niet tot Anatolië beperkt maar zich uitstrekt over de hele regio. Maar plannen om het Turkse parlement terug te roepen van reces om te stemmen over het sturen van troepen naar Irak, zijn geschrapt, zo bevestigde premier Erdogan vorige week. Als er al een besluit wordt genomen, dan toch zeker niet voor oktober.

Toch hebben de VS en Turkije beide van de zware diplomatieke crisis van dit voorjaar lering getrokken. In contacten met de Amerikanen onderstreept Gül, aldus de Turkse pers, dat de Amerikanen niet via allerlei informele kanalen de stemming in Ankara moeten peilen maar moeten afgaan op wat hij hun zegt. En zijn belangrijkste boodschap is duidelijk: Turkije is niet meer het land van vroeger, waar de elite alles bedisselde en het volk toekeek. In een democratie hebben parlement en volk het laatste woord, zo zou hij de Amerikanen hebben laten weten, en dat betekent simpelweg dat de buitenlandse politiek complexer en onvoorspelbaarder wordt.

Ook de Amerikanen lijken een lesje geleerd te hebben. Net als in het voorjaar wordt opnieuw over geld gesproken: toen over een schenking van zo'n zes miljard, nu over een lening van 8,5 miljard dollar. Toen de Amerikaanse onderminister van Financiën John Taylor een direct verband tussen het geld en de troepen legde, was de Amerikaanse ambassadeur in Ankara er als de kippen bij om een nieuwe rel in de kiem te smoren. Toekennen van de lening hangt af van een ,,aanhoudende samenwerking'' tussen Ankara en Washington, zo liet hij weten, maar staat los van het sturen van troepen naar Irak. ,,Dat is natuurlijk in laatste instantie een besluit van uw regering'', aldus Edelman.

Dat woord ,,natuurlijk'' kwam voor veel Turken als een verrassing. Bij alle aanvaringen in het voorjaar kregen zij toch sterk de indruk dat Washington het ,,natuurlijk'' vindt dat Ankara orders uit de Amerikaanse hoofdstad uitvoert. Maar de Amerikaanse regering lijkt dus te proberen de nieuwe Turkse complexiteit te accepteren.