Brief Donner: geen vervolging Kok in zaak-Margarita

Er komt geen strafvervolging tegen oud-premier Kok, en de oud-ministers De Vries (Binnenlandse Zaken) en Korthals (Justitie), wegens eventuele ambtsmisdrijven in de zaak-Margarita. Dat blijkt uit een gisteren door minister Donner (Justitie) aan de Tweede Kamer gestuurde brief.

Strafvervolging wegens ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen tegen ministers, Kamerleden en staatssecretarissen wordt, volgens de Grondwet, op last van het parlement of de regering, ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad en door dit hoogste college ook in eerste aanleg en hoogste ressort behandeld. Donner laat de Kamer weten dat aan de procureur-generaal wat de regering betreft geen last zal worden verleend. In de Tweede Kamer bestaat daarvoor, voor zover bekend, geen meerderheid.

Donner baseert zijn beslissing mede op de bevindingen van het Openbaar Ministerie in Den Haag, dat prinses Margarita en haar echtgenoot De Roy heeft gehoord naar aanleiding van hun aangifte van 10 maart van dit jaar. Zij deden daarin aangifte van `valsheid in geschrifte' tegen de drie genoemde ministers, omdat hun ambtenaren in brieven aan het paar hadden ontkend dat er sprake was van een BVD-onderzoek naar De Roy, terwijl dit wel plaatsvond. Tevens had het paar aangifte gedaan van `schending van ambtsgeheim' door de ministers, omdat de resultaten van het BVD-onderzoek aan onbevoegden, zoals de broer en de vader van Margarita, zouden zijn doorgestuurd. De aangifte strekte zich ook uit tot een aantal ambtenaren van het Kabinet des konings, en de BVD.

Donner concludeert in zijn brief dat er van valsheid in geschrifte of schending van ambtsgeheim door de betrokken ministers geen sprake is, aangezien eerder is gebleken dat deze van het gewraakte BVD-onderzoek niet op de hoogte waren.

Ten aanzien van de in de aangifte genoemde ambtenaren, die naar het oordeel van de minister als `medeverdachten' ook voor de Hoge raad terecht zouden moeten staan, sluit Donner zich aan bij het oordeel van het Openbaar Ministerie dat het in de aangifte gaat om feiten ,,die niet strafwaardig zijn en om klachten die zo vaag zijn dat zij niet tot een succesvolle opsporing kunnen leiden''.

De advocaten van het paar wilden vanochtend niet op de brief van Donner reageren. Overigens is artikel 12 Wetboek van Strafvordering, dat een belanghebbende in een mogelijke strafzaak de mogelijkheid biedt bij het Hof om instelling van strafvervolging te vragen, op de procedure bij de Hoge Raad niet van toepassing.