Atlantische lijn is achterhaald

Morgen gaat premier Balkenende ontbijten op het Witte Huis. Ivo Daalder en James Lindsay voorspellen dat hij weinig meer naar huis neemt dan een mooie foto.

Steven Everts vindt dat Balkenende de vertrouwde Atlantische reflexen moet overwinnen en het buitenlandse beleid zou moeten herijken.

Onder de kabinetten Balkenende I en II is de balans zoekgeraakt in het Nederlandse buitenlandbeleid. Juist op het moment dat een geleidelijke verschuiving richting `Europa' voor de hand had gelegen, kiest Nederland voor Amerika. Het bezoek van premier Balkenende aan president Bush is een goede gelegenheid om de wijsheid van deze strategie te toetsen aan de Nederlandse belangen en, desgewenst, bij te stellen, of althans aan duidelijker voorwaarden te verbinden.

De belangrijkste reden voor een dergelijke herijking is dat sinds 11 september 2001 de VS de bakens hebben verzet. Begrippen als gelegenheidscoalities, preventieve aanval, hegemoniaal leiderschap hoor je deze dagen vaker in Washington dan legitimiteit, compromis of internationale rechtsorde. Wat opvalt is dat wanneer de spanningen oplopen tussen Europa en Amerika – over bijvoorbeeld Irak – Den Haag telkens `begrip' toont voor Amerikaanse zorgen en steunt uitspreekt voor de politieke lijn van Washington. Het is de vraag of deze reflexmatige en tamelijk onvoorwaardelijke keuze voor Amerika de Nederlandse belangen wel dient. Vier redenen pleiten voor een herziening.

Ten eerste is er de spanning tussen de Amerikaanse keuze voor een zeer assertieve vorm van unilateralisme en de traditionele Nederlandse keuze voor gematigdheid en multilateralisme. Je kan debatteren over de vraag of de nieuwe lijn in het Amerikaanse buitenlandse beleid het gevolg is van het aantreden van Bush, van 11 september of van de neoconservatieve `putsch', of diepere, structurelere oorzaken heeft. Feit is dat de huidige Amerikaanse regering een fundamentele wijziging nastreeft van de regels van het internationale systeem, en zich tegelijkertijd de mogelijkheid voorbehoudt om, indien nodig, eenzijdig en buiten dat systeem om op te treden. Het neoconservatisme is misschien over zijn hoogtepunt heen, vooral omdat de politieke realiteit hardvochtiger was dan men in de rechtse denktanks had gedacht. Maar er is onmiskenbaar sprake van een nieuw paradigma in het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Ook aan Democratische zijde wordt met volstrekt nieuwe denksjablonen gewerkt. De gedachte dat Nederland, door de vertrouwde rol van loyale bondgenoot te spelen, ook het oude, vertrouwde en multilateraal-gezinde Amerika kan behouden, is een illusie.

Ten tweede is niet alleen Amerika veranderd, ook Europa. Decennialang voerde Nederland qua buitenlands beleid een drie-sporenbeleid: voor de veiligheid was er de VS en de NAVO; voor de economie de EG/EU; en voor de mondiale aspiraties de VN. Echter, de laatste tien jaar is de Europese integratie zo ver gevorderd dat het een politiek proces is geworden, compleet met een groeiende buitenlandse-politieke dimensie. Het is waar dat `Europa' voor velen, steeds meer ook in Nederland, een beeld oproept van bedilzucht, incompetentie en onbehagen. Maar vraag mensen wat ze wél willen en meer dan 80 procent zegt: een sterkere rol voor Europa in de wereld.

In discussies over het ambitieniveau en de institutionele vormgeving van een geloofwaardig Europees buitenland- en veiligheidsbeleid behoort Nederland helaas tot het conservatieve kamp. Samen met de Britten en de Denen bekijkt Den Haag vooral of het Atlantische gehalte van nieuwe samenwerking op defensiegebied wel afdoende is – en of de voorgestelde plannen wel door het Pentagon aanvaard zullen worden. In plaats van deze rol van Atlantisch keurmeester zou Nederland juist een van de aanjagers moeten zijn van een robuuste en geloofwaardige rol voor Europa op het internationale toneel.

Een derde reden voor herbezinning is de politieke situatie binnen Europa. Sinds de boutade van Donald Rumsfeld, de Amerikaanse minister van Defensie, is het gebruikelijk om over `nieuw' en `oud' Europa te spreken. Volgens deze terminologie hoort Nederland bij het `nieuwe' Europa: in hetzelfde kamp als Groot-Brittannië, Spanje, Italië, Denemarken en Polen. De vraag is echter in welk opzicht `nieuw Europa' een solide coalitie is en welke mate van invloed die coalitie zal hebben in de toekomst.

Het `nieuw' Europa is vooral een coalitie van perifere landen, in geografisch en politiek opzicht. Groot-Brittannië en Denemarken hebben een zeer afstandelijke houding ten aanzien van het Europese integratieproces: beide nemen niet deel aan de euro; Groot-Brittannië heeft zich ook afgezonderd van de Schengen-samenwerking. Dit betekent minder invloed in Brussel en maakt de landen voor Nederland dus minder aantrekkelijk als partners. Spanje en Italië horen wel tot de Europese mainstream. Echter, zowel premier Berlusconi, wiens dubieuze gedrag en reputatie sowieso tot enige Nederlandse distantie zou moeten leiden, als premier Aznar staat onder grote binnenlandse druk. Deelname aan het Iraakse avontuur was van begin af aan weinig populair. Beiden betalen, net als premier Tony Blair, een grote politieke prijs voor het almaar uitblijven van bewijzen inzake de vermeende massavernietingswapens. Van Polen is het nog lang niet duidelijk hoe het land zich zal opstellen als het eenmaal is toegetreden tot de EU.

Er kunnen daarom vraagtekens geplaatst worden bij de toekomstige relevantie, soliditeit en invloed van `nieuw' Europa. Veeleer ligt het voor de hand dat in het Europa van 25 lidstaten wisselende coalities gevormd zullen worden. Om de Nederlandse belangen goed te kunnen verdedigen heeft Den Haag partners nodig met macht en prestige, vanuit heel Europa.

Ten vierde is er de vraag wat Nederland terugkrijgt voor het zo veelvuldig en openlijk partij kiezen voor Amerika. Nederlandse diplomaten zeggen dat Nederland zelden zo'n goede entree heeft gehad in Washington als nu onder de regering-Bush. Het is misschien leuk voor Nederlandse diplomaten als ze toegang krijgen tot Amerikaanse beleidsmakers, net zoals Balkenende gevleid zal zijn dat Bush tijd voor hem vrijmaakt. Maar uiteindelijk zijn goede betrekkingen met een land, hoe machtig ook, een middel en geen doel op zichzelf.

De cruciale vraag is welke invloed Nederland heeft verworven door Amerika loyaal te steunen. Als je dezelfde diplomaten vraagt in welk opzicht Amerika het gevoerde beleid heeft bijgesteld in Nederlandse richting, volgt veelal een oorverdovende stilte. Balkenende zou eens moeten nadenken hoe hij Bush vriendelijk doch duidelijk kan maken dat Nederlandse c.q. Europese hulp niet onvoorwaardelijk is. Er is een waslijst van internationale onderwerpen waarover Nederland anders denkt dan de hardliners in de VS. Het is tijd om de onderhandelingen met Amerika voor een beter quid pro quo wat scherper te voeren.

Steven Everts is Senior Research Fellow bij het Centre for European Reform.