Tragiek en wraakzucht

De eerste gedachte : die is tegen een nog meedogenlozer straatvechter opgelopen dan hijzelf was. Met één klap van diens stalen knokkels is hij doodgeslagen. Misschien met een loden pijp. Van achteren. Ja, van achteren. Neergeschoten door een laffe schutter, die wist dat-ie hem in een eerlijk gevecht nooit de baas zou zijn.

Het blijkt toch een ander soort sluipschutter te zijn geweest die Charles Bronson doodde vannacht. Gebroken door de ziekte van Alzheimer overleed de 81-jarige acteur uiteindelijk aan longontsteking in een ziekenhuis in Los Angeles.

Charles Bronson, geboren in Ehrenfeld (Pennsylvania, VS) op 3 november 1921 als Charles Buchinski uit een familie van Litouwse immigranten, begon zijn carrière in de tv-westerns van zingende cowboy Roy Rogers, typerend genoeg in een aflevering die The Knockout heette. Als acteur leunde Bronson zwaar op zijn fysiek als Echte Man. Zwijgzaam en broeierig, dat paste perfect bij de conventies van de western, waarin de gelooide bijrolacteur net zo gemakkelijk als blanke of als indiaan werd gecast.

Regisseur Roger Corman was de eerste die hem een hoofdrol gaf, in Machine-Gun Kelly, over een kleine dief die bijna zijns ondanks een beruchte gangster wordt. Hierin is ook voor het eerst een kwaliteit in Bronson te ontdekken waar latere regisseurs dankbaar gebruik van zouden maken: de tragiek achter zijn onbewogen gelaat. Zo gaf John Sturges hem een gevoelige monoloog in The Magnificent Seven, een klassieker over zeven huurlingen die bereid blijken zich dood te vechten voor een bedreigd Mexicaans dorpje. Een van die huurlingen, Bernard O'Reilly (Bronson), vliegt op als de dorpsjongens hun vaders uitmaken voor lafaards omdat die niet durven te vechten. ,,Denken jullie dat ik dapper ben omdat ik een pistool bij me draag? Jullie vaders zijn veel moediger omdat zij verantwoordelijkheid dragen: voor jou, voor je broers en zusters, voor je moeder. Die verantwoordelijkheid is een rots die een ton weegt'', zegt Kelly. ,,Daarvoor heb ik de moed nooit gehad. Een boerderij hebben, werken als een ezel, zonder te weten of het ooit iets oplevert. Dat is moed.''

Het was Sergio Leone die Bronson het laatste duwtje gaf de filmgeschiedenis in. Als de naamloze Mr. Harmonica in Once upon a Time in the West is Bronson een zwijgende wreker met een geheim. Dat geheim is zo groot, dat Leone er bijna ongegeneerd Bronsons schedel voor licht; hij laat de camera inzoomen tot alleen diens bijna gele ogen en neusbrug nog te zien zijn. Dit is geen mens meer, dit is een bloedhond. En dan toont Leone het filmpje dat Harmonica al die jaren in zijn geest moet hebben afgedraaid: hoe zijn broer werd vermoord.

Die rol heeft Bronson nooit meer overtroffen, maar wel vaak nagedaan. Het meest succesvol in een reeks films onder de titel Death Wish, waarvan deel 1 in 1974 uitkwam. Hier is Bronson ook een wreker, maar dan een moderne. Architect Paul Kersey zijn vrouw is vermoord, zijn dochter verkracht. Na een handige ontmoeting met een wapenexpert keert Kersey terug naar de grote stad om daar schoon schip te maken. Death Wish bracht Bronson in het rijtje reactionairen, zoals (toen) Clint Eastwood met zijn Dirty Harry-serie en (later) Sylvester Stallone met zijn Rambo-serie.

Bronsons laatste speelfilm was Death Wish deel 5, in 1994, waarin eerst een nieuwe vriendin wordt vermoord, eer de grijze Bronson schietend en slaand de oude wijken intrekt. De tragiek was een pilletje geworden, dat je inneemt voor je aan de slag gaat. Hierna verscheen hij alleen nog in drie delen van de tv-serie Family of Cops, duidelijk nageschilderd van Bronsons grote filmsuccessen.

Bronson was driemaal getrouwd en had drie kinderen.