Ode aan Mark

Door al het gedoe rond `witte' en `zwarte' scholen moest ik denken aan Mark, die ik volgens mij nog nooit heb bedankt. Mark Rustwijk, waar je ook bent, bij deze, en ik zal uitleggen waarom.

Mijn eerste schoolherinneringen bestaan uit de geur van kokosolie in het haar van alle kleuters en het uitzicht op rijsthalmen in een polder van het west-Surinaamse district Nickerie, waar alleen hindoestanen wonen. De polder heette zonder een spoor van bescheidenheid `Paradijs' en de halmen waren eeuwig groen. Herinneringen breken alle natuurwetten.

Ook was er het gekrijs van kinderen die naar hun moeder wilden, wat ik raar moet hebben gevonden, want de juf was erg aardig. Ik moet er wel bij vertellen dat mijn vader het hoofd van de school was en dat ik voorrechten had, zoals het voorin mogen zitten en het dragen van rubberen slippers, terwijl alle andere leerlingen op blote voeten naar school kwamen.

Een paar jaar later werd mijn vader overgeplaatst naar Paramaribo en daar begon de hel. Mijn oudere zus en ik moesten op de straathoek gaan staan waar een schoolbus ons zou afhalen. Op de hoek maakten we kennis met Aukie, bijnaam van August, de plaatselijke gangster van een jaar of twaalf, die ons met een stok in de hand vroeg of we geld bij ons hadden. We hadden geen geld, maar we renden toch terug naar huis, ervan overtuigd dat mijn moeder zou zeggen dat we terstond zouden terugkeren naar onze paradijselijke polders in Nickerie, waar er geen zwarte gangsters met stokken waren. Maar ouders zijn vals, ze sturen je zo terug de hel in.

Op de nieuwe school in Paramaribo kwam niemand mij bekend voor. Allemaal negers! Later zou ik ze creolen noemen, maar op dat moment waren het nog dreigend kijkende negers die luid lachten toen ik moest gaan zitten op de enige vrije plek in de schoolbanken, naast een meisje. Meisjesgek werd ik genoemd en een jongen van acht wil alles zijn, behalve een meisjesgek. Thuis beklaagde ik mij erover, alsmede over het feit dat ze me plaagden vanwege mijn hindoestaanse accent en mijn hindoestaan-zijn in het algemeen. Dat laatste maakte indruk. Het jaar daarop schreef mijn vader mij in op de enige hindoestaanse school die Paramaribo rijk was. Heerlijk, al die herkenbare kinderen en geen leraren die de spot dreven met mijn hindoestaanse naam, door die zo fout mogelijk uit te spreken.

Twee jaar waande ik me in een hindoestaans paradijs, maar daarna moest ik naar de middelbare school, het deftige lyceum, en de hel is geduldig. Allemaal creolen! Ik voelde me kwetsbaar, bedreigd, op de beste momenten onbehaaglijk, maar ik had tenminste een horloge met een blauwe wijzerplaat en een windmolen als secondewijzer, gekregen vanwege de goede cijfers voor het eindexamen van de lagere school. Dat horloge werd op de derde of vierde dag opgeëist door een jongen uit een hogere klas en hij had niet eens een stok in zijn hand. Mijn ouders hebben nooit geweten wat met het horloge met blauwe wijzerplaat en windmolen als secondewijzer is gebeurd.

Maar op den duur maak je wel vrienden, al was het maar met de mismaakten, omdat je als hindoestaan op het lyceum in Paramaribo ook wat mismaakt bent. Een lichtgekleurde creoolse jongen met kromme benen en een kromme rug, Mark genaamd. Als hij rechtop stond maakte zijn lichaam van de zijkant gezien een volmaakte S. Mark bemoeide zich met niemand, omdat hij behalve mismaakt ook nog gestoord was. Hij las namelijk boeken, uit vrije wil. Ik had die stoornis ook een beetje, hoewel ik nooit de fout maakte in de pauze met een boek te zitten, en Mark werd mijn mentor, mijn goeroe, hij nam mij onder zijn hoede en leerde mij kiezen. Al was hij altijd een paar stappen verder; als ik nog met `Turks Fruit' in de weer was, had hij `Terug naar Oegstgeest' net uit. En van `Ik, Jan Cremer' leerde hij mij de infantiliteit inzien, door mij `Nooit meer slapen' van W.F. Hermans in handen te stoppen.

Wat ik langzaam leerde was het ontkoppelen van vriendschap en etniciteit. Mark en ik hadden niets gemeen, behalve de boeken die we lazen, ik wat heimelijker dan hij. Ik keek naar hem op omdat hij slimmer was en die laffe heimelijkheid niet nodig had, maar in meisjes was hij niet geïnteresseerd en ik wel meisjes houden niet van boekenlezende jongens. Toch wist hij veel over de liefde, en toen ik eraan toe was, volgens hem, gaf hij me een beduimeld exemplaar van `Madame Bovary' van Flaubert. `Leer maar eens wat liefde is', zei hij in zijn S-vormige houding, en ook aan zijn gebit moest flink wat worden gedaan.

Die Mark werd mijn redding, mijn ontsnapping aan etniciteit, zogezegd, enkel door mij de vraag te stellen waarom hindoestanen geen salami aten. Dat is onrein vlees, antwoordde ik. Hij gaf mij een bundel korte sciencefiction verhalen. Een daarvan ging over een maatschappij waarin mismaakte mensen werden vermalen tot voer voor de volmaakten. De dag daarop probeerde ik een plak salami uit zijn boterham, en toen donder en bliksem uitbleven, was ik voorgoed verslingerd aan de verontreinigde staat van zijn.

Ik heb nooit iets terug gedaan voor hem, tot zover ik mij herinner. Hij had de deur van mijn hindoecultuurtje opengedaan en mij naar buiten geleid, hij had mij in die buitenwereld behoed voor ongelukken als `Ik, Jan Cremer' en dwaze gedachten over reinheid, hij had mij het theoretische onderricht in de liefde gegeven, wat mij in de praktijk erg te pas kwam, en ik heb nooit iets teruggedaan.

Of toch wel. Er was een pesterijtje op school van het druppelen van shiling-oil op je stoel. Shiling-oil is een Chinese medicinale olie die je eerst een gevoel van vrieskou geeft en vervolgens het gevoel van een gloeiend kooltje op je huid. Ga daar maar eens op zitten. Ik zag de druppels op Marks stoel en ik verwisselde de stoel met die van de belager. Mark, jongen, you owe me one.

ramdas@nrc.nl