De sterke punten van De Monte al te netjes belicht

Vice-kanselier Georg Sigismund Seld, door aartshertog Albrecht V van Beieren naar Brussel gestuurd om musici te recruteren, meldde in 1555 onomwonden: Philippe de Monte is de beste componist. Bovendien een bescheiden man, kuis `wie ain junkfrau'. Schönberg had nog veel kunnen leren van deze doorgewinterde technicus. De Monte hoefde zijn hand er niet voor om te draaien om een vijfstemmig Ad te Domine achtstemmig uit te breiden door de hoofdstem te spiegelen, in kreeftgang te brengen en in de kreeft van de spiegel.

De Monte kende na zijn dood geen cultus zoals Lasso of Palestrina en daaraan wil het Utrechtse festival voor oude muziek samen met het Festival van Vlaanderen iets aan doen ter gelegenheid van De Monte's vierhonderdste sterfdag. Nu spreekt De Monte op het eerste gehoor minder aan. Hij is weinig spectaculair, noch retorisch, noch realistisch beeldend. In de woorden van musicoloog Charles van den Borren: ,,Dartele schuinheid ligt hem niet.''

Maar de drie ensembles die zich afgelopen weekeinde aan hem wijdden lieten zijn sterke punten redelijk uitkomen. De Monte is stijlvol voornaam in een streven naar volmaaktheid, zei het Ad te Domine. In het Academiegebouw musiceerde zaterdag het pas opgericht voortreffelijk blokfluitensemble Mezzaluna. Helaas, al die tekstloze motetten achter elkaar geplaatst werken lijzig op den duur.

Spectaculairder was het optreden zondag in de Domkerk door Erik van Nevels ensemble Currende. Na een bijna brallerig staatsmotet van Lasso klonk zo'n ingetogen antiretorisch Agnus Dei uit De Monte's dodenmis. Jammer van de wat pieperige stem, want zó ingekeerd hoeft het nu ook weer niet. Meer vrijuit zong later op de dag in de Pieterskerk Trinity Baroque in een zinvolle confrontatie met William Byrd. De Monte componeerde de openingsverzen van Psalm 137 en stuurde die aan Byrd die ze het jaar daarop voltooide. Al in de dertiger jaren suggereerde Edmund H. Fellowes om ze als een geheel uit te voeren.

Groot tenslotte was de tegenstelling met Giovanni Paisiello's I filosofi imaginari: wel degelijk kleurig en dartel hyperrealistisch. Catherina de Grote, voor wie het werk was bestemd , waardeerde een basduet als een chronische hoestbui in staccato zestienden: ,,A mourir de rire!'' Daarna mocht Paisiello geen serieuze opera meer van haar schrijven. In deze levendige Russisch-Nederlandse productie ontpopte de sopraan Elena Gorsunova zich als de grote ster. De Russen leverden ook fraaie strijkers en de Nederlanders excelleerden in de blazers.

Holland Festival Oude Muziek Utrecht: ensemble Mezzaluna Capella Currende, Trinity Baroque en Catherina de Grote-Orkest en solisten. Gehoord 30, 31/8 op diverse plaatsen in Utrecht.