Brüggen schuift steeds verder op

Nadat het Orkest van de 18de eeuw al de 20ste eeuwse Stravinsky en de vroeg-19de eeuwse Beethoven en Schubert speelde, zijn nu de latere 19de eeuwers aan de beurt: Schumann en Brahms. Op het Festival Oude Muziek in Utrecht en tijdens het slotconcert van de Robeco Zomerconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw, klonken van Schumann de Manfred Ouverture en de Vierde symfonie en van Brahms het Vioolconcert.

Muziek is niet alleen maar klank, die altijd maar zo mooi mogelijk moet zijn, aldus Frans Brüggen in een interview. ,,Muziek heeft tot ver in de 19de eeuw ook een aspect van lelijkheid, van ruigheid, van taal en retorica.'' De wens van zijn musici om verder door te dringen in de tijd, bracht Brüggen ertoe de grens op te schuiven naar Schumann en Brahms. ,,De cruciale vraag is: waar begint de muziek echt anders te worden? Dat gebeurt in de loop van het oeuvre van Wagner. Om maar met Harnoncourt te spreken: de omslag van sprekende muziek naar klinkende muziek.''

Om de romantiek historisch verantwoord te kunnnen benaderen ging de stemming van het instrumentarium omhoog van 392 naar 440 Hz en schaften de blazers van het Orkest van de 1de Eeuw zich instrumenten met kleppen aan. Het resultaat is een nieuwe intonatie en een egalere orkestklank. De gestiek van Brüggen bleef echter aan zichzelf gelijk: kleine, cirkelende armbewegingen, ingetogen en een beetje stroef. Zo volgt Brüggen als het ware de melodische zinswendingen, de harmonische impulsen en de ritmische contouren van de muziek op de voet en blijven de grote melodische lijnen en spanningsbogen een optelsom van welsprekende fragmenten.

Door deze fragmentarische, op de retorica gerichte aanpak, werd de immense expressieve kracht van Schumann in de kiem gesmoord. Schumann, die het harmonisch moet hebben van aangrijpende `klankexplosies' en van intens zingende melodielijnen, ging in de uitvoering van het Orkest van de 18de Eeuw niet lelijker en ruiger klinken, maar juist braver en burgerlijker, meer afgemeten en voorspelbaarder.

Weg waren Schumanns metafysische dromen over alles wat het aardse overstijgt, zijn zinderende emoties, de zwelgende zuigkracht van zijn angsten en demonen, de intensiteit van zijn verlangens. Dankzij het hamerende gepunteerde ritme en de voortdurende syncopen – muzikale gegevens waarmee het Orkest van de 18de Eeuw goed raad weet – kwam de Manfred Ouverture nog het overtuigendst tot zijn recht. Maar in Brüggens detaillistisch gearticuleerde interpretatie van Schumanns Vierde symfonie werden de expansieve genialiteit en de emotionaliteit van Schumann gesmoord in academisch geneuzel.

Veel geloofwaardiger klonk het Vioolconcert van Brahms, de academicus onder de romantici. Nadat hij als concertmeester had gefungeerd, deed solist Thomas Zehetmair, al jaren een kameleon die opduikt in zowel `authentieke' als `moderne' kringen, Brahms alle eer aan met zijn uiterst degelijke maar ook vurige en zangerige vioolspel. Wel neigde hij in de meer lyrische passages af en toe in gemaniëreerdheden te vervallen. Op zulke momenten riep het fel musicerende, op de zeggingskracht van kortere fragmenten gerichte benadering van Brüggen en zijn orkest, de wegmijmerende solist weer tot de orde.

Concert: Orkest van de 18de Eeuw o.l.v. Frans Brüggen m.m.v. Thomas Zehetmair, viool. Gehoord: 30/8 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 3/9 Enschede; 4/9 Haarlem (H.A. van Paduakerk).