Uit de bijstand

Een hervorming van de bijstandswet om werklozen tot arbeid te prikkelen komt rijkelijk laat. Het gaat slecht, er vallen veel ontslagen. Als er geen werk is, heeft het geen zin om mensen te dwingen. Twee jaar geleden, toen alles nog goed ging, stonden in grote steden rijen voor supermarktkassa's, die slecht bemand waren omdat er geen arbeidskrachten te krijgen waren. Amsterdam kende de klucht van een jarenlange zoektocht naar een gemotiveerde tramconducteur onder het leger plaatselijke werklozen.

De krapte op de arbeidsmarkt veroorzaakte een loonspiraal omhoog, die afgezwakt had kunnen worden door uitkeringsontvangers (WAO, bijstand) aan het werk te helpen. Er zat te weinig druk achter het stelsel. Gezonde uitkeringstrekkers konden te gemakkelijk aan hun arbeidsplicht ontsnappen. Dat kost niet alleen geld, maar heeft ook andere consequenties: werkloosheid isoleert en dat geldt zeker voor mensen die nog maar kort in Nederland wonen. Die isolatie schaadt ook eventuele volgende generaties. Daarom is het altijd goed het bestand van werklozen zo nu en dan op te schonen en dat gebeurt in het wetsvoorstel Werk en Bijstand.

Voormalig Amerikaans president Clinton hervormde de bijstand toen het goed ging in zijn land en er veel nieuwe banen werden gecreëerd, maar de Nederlandse regering hervormt om in slechte tijden te bezuinigen op uitkeringen. Het is schrijnend dat ook het aantal Melkert-banen wordt teruggebracht. Gesubsidieerd werk is bij economische malheur het enige alternatief voor teleurgestelde werkzoekenden. Melkertbanen zijn niet alleen nuttig, werklozen blijven op die manier ook actief, zodat ze bij beter economisch getij sneller naar volledig betaald werk kunnen doorstromen.

In het wetsvoorstel Werk en Bijstand heeft het Rijk de verantwoordelijkheid voor de uitvoering aan de gemeente gedelegeerd. Dat is toe te juichen. Gemeenten krijgen financieel baat bij het aantal mensen dat ze aan het werk weten te krijgen. Wel zal nog gedokterd moeten worden aan de demografische verdeelsleutel van bijstandsgelden voor de gemeenten. Vandaar dat het model geleidelijk wordt ingevoerd.

Dat er flink op het budget voor de reïntegratie wordt gekort, is begrijpelijk. Tot nu toe zijn de daaraan gespendeerde miljarden weinig effectief, ook door de vrijblijvendheid. Nu het slecht gaat, valt er minder te integreren.

Behalve de recessie zijn er andere obstakels voor reïntegratie van werklozen. Een deel van de bijstandontvangers wordt bijvoorbeeld niet opgeroepen om te solliciteren wegens chronische ziekte en zou eigenlijk voor de WAO moeten worden gekeurd. Het Sociaal en Cultureel Planbureau adviseert daarom in de recessie vooral meer kansrijken op te zoeken, jongeren, gezonde laag opgeleiden, eventueel van niet-westerse afkomst, en hen te trainen en te motiveren. Die werken dan het eerst, als het economisch beter gaat.

Een alleenstaande bijstandsmoeder verkeert in een moeilijke positie omdat ze naast haar werk ook kinderen zou moeten opvoeden. Dat maakt een bijstandsmoeder ook minder aantrekkelijk voor een werkgever. Volgens het wetsontwerp moeten bijstandsambtenaren rekening houden met de zorg voor kinderen. Dat is terecht, maar in sommige gevallen moet een sollicitatieplicht kunnen worden opgelegd om te voorkomen dat er een generaties lange cultuur van afhankelijkheid ontstaat.

De bijstandshervorming is product van een mentaliteitsomslag in Nederland, waarbij solidariteit niet meer vanzelfsprekend is. Misbruik van overheidsvoorzieningen heeft deze erosie mede veroorzaakt. Voormalig minister Vermeend voelde dat aan en begon in 2000 de sociale diensten van gemeenten aan te spreken op hun laksheid. De veranderde tijdgeest dringt nu verder door tot de uitvoerders. De bijstandsontvanger is niet langer alleen ,,klant'' van de sociale dienst, maar er wordt ook iets van hem verwacht.