Schuivende kades

In Wilnis schoof deze week een dijk weg. Er zijn meer van dit soort zwakke veenkaden die als dijk fungeren. In feite zijn het hooggelegen restanten van het afgegraven veenlandschap.

`In het kilometervak rond Wilnis zijn gegevens van 43 boringen beschikbaar, maar je hebt er maar twee nodig om de ondergrond te begrijpen: één uit de oude dorpskern en één uit de ondergelopen nieuwbouwwijk.' Aan het woord is Henk Weerts, fysisch geograaf bij het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO. ``De dorpskern staat op het oude land, enkele meters boven de omgeving. Hier is het veen niet afgegraven, verderop in de laaggelegen wijk Veenzijde wel. Maar het afgeschoven deel van de kade heeft dezelfde bodemopbouw als naast de kerk: vier meter riet- en bosveen op een ondergrond van klei.''

Duizenden jaren van ongeremde veengroei in het Hollandse kustmoeras resulteerde in metersdikke veenpakketten in West-Nederland. Bij ondiepe grondwaterstanden en aanvoer van voedselrijk water ontstond riet- en bosveen: met rivierklei vermengde restanten van afgestorven rietkragen en elzenbossen. Pas als na verloop van tijd de afstand tot het grondwater zo groot is dat veengroei afhankelijk wordt van regenwater, ontstaat het bij turfwinners populaire mosveen, een perfecte brandstof vrij van klei. In de Middeleeuwen, als na de rivierbedijking de veenontginning op gang komt, graven de turfwinners om het slecht brandbare bos- en rietveen heen. ``Na een half uur stoken met dat veen moest je de asla al weer leegmaken'', vertelt Piet Cleveringa, de veendeskundige collega van Weerts. Langs de riviertjes lieten de turfwinners aldus hoge veenlinten achter: metersdikke pakketten plantenresten met het uiterlijk van een dijk. Als de turfstekers eind negentiende eeuw hun klus hebben geklaard, ligt het eeuwenoude veenlandschap enkele meters lager, maar met uitzondering van de onontgonnen veenstroken langs rivieren en onder wegen en dorpen. Wie denkt dat de polderwegen in West-Nederland op dijken liggen, vergist zich dus. Het omgekeerde is waar: van de veenpolder is alles afgegraven, behalve de grond onder de weg.

Hoe belangrijk het was om als turfwinner afstand tot de rivier te bewaren en zo het kleihoudende riet- en bosveen te vermijden, is nu nog terug te zien in het Hollandse polderlandschap. Weerts: ``Aan weerszijden van de Oude Rijn, tussen Woerden en Alphen, ligt eerst een kilometerbrede strook zand, dat zijn de oude rivieroevers. Pas twee kilometer vanaf de rivier ligt een zogeheten `steilrand' een laag uitgevallen afgrond naar de metersdiepe veenafgraving. Tussen het afgegraven mosveen en de rivieroever ligt daar op de ondergrond van klei een onontgonnen strook riet- en bosveen, ongeveer een kilometer breed. Dat is dezelfde ondergrond als in Wilnis.''

En sommige van die kaden fungeren nu als dijk. ``Enkele duizenden kilometers secundaire waterkering bestaat uit veenkaden'', schat Weerts, kijkend naar een kaart met droogmakerijen in Noord- en Zuid-Holland. ``Achter die kaden ligt niet alleen de luchthaven van Schiphol, maar wonen ook honderdduizenden mensen in jonge steden als Zoetermeer, Hoofddorp en Purmerend.'' `Gewone' door ingenieurs ontworpen primaire rivierdijken bestaan uit een kern van verdicht zand met een bekleding van klei, aan de zijkant soms verzwaard met blokken basalt. ``De vrijwel verticale laagovergangen tussen zand en klei vangen de zijwaartse waterdruk op'', licht Weerts de werking van deze waterkeringen toe. ``Maar in de kaden van onontgonnen rietveen zitten geologische laagovergangen en die zijn juist horizontaal. Neemt de druk van het water in de ringvaart toe of de tegendruk van de dijk af, dan kan zo'n grenslaag in een glijbaan veranderen.'' Dat de meeste veenkaden toch al honderden jaar stabiel zijn schrijft hij toe aan de vorm van de taluds: ``De kaden zijn eigenlijk de voormalige oevers van drooggelegde veenplassen. Omdat zo'n plas flauwe oevers had, hebben de veenkaden nu een brede voet. Die biedt genoeg tegenwicht aan de waterdruk uit de ringvaart.'' Cleveringa vraagt zich af of uitgedroogde veenkaden geholpen zijn met een regenbui: ``Volledig uitgedroogd veen gedraagt zich niet als een spons. Het is waterafstotend, regenwater loopt er van af. Pas na enkele dagen kan het veen weer water opnemen en brengt de veenkade langzaam zijn gewicht op peil. Intussen neemt de waterdruk in de ringvaart wél snel toe.''

Weerts pakt er een tweede boring bij: ``Kijk, de laaggelegen nieuwbouwwijk in Wilnis is gebouwd op de kleilaag onder het afgegraven veen. Na het droogmaken van de veenplassen waren deze kleipolders lange tijd de graanschuur van Holland. De wegen van vóór de veenafgraving liggen nog op de oorspronkelijke hoogte en steken, net als de op palen gebouwde spoorlijn van de HSL, enkele meters boven het polderlandschap uit.''

Aarzelend relativeert Weerts de ernst van de gebeurtenis bij Wilnis afgelopen week: ``Hoe verschrikkelijk het ook is voor de mensen die er wonen, dit is niet te vergelijken met het doorbreken van een Lekdijk of Maaskade bij hoogwater. Dan loopt een groter gebied onder water en stijgt het water almaar door.'' Hoewel beslist meer kennis over de bodemopbouw van veenkaden en hun omgeving nodig is om de staat van de secundaire waterkeringen te kunnen beoordelen, komt er volgens Weerts geen nationale ramp aan. ``Het ergste dat er kan gebeuren als een veenkade bezwijkt, is dat de polder onderloopt tot de volgende kade, een paar kilometer verderop.''