Irakezen beginnen nu ook elkaar op te blazen

Na de aanslag gisteren in Najaf zal met de beschuldigende vinger worden gewezen naar zowel getrouwen van Saddam Hussein als naar de Amerikanen. Is dat terecht?

Behalve Amerikaanse militairen en andere buitenlanders blazen de Irakezen nu ook elkaar op, en het maakt de problemen van de Amerikaanse autoriteiten bij het scheppen van orde in Irak nog groter dan zij al zijn. Gisteren vonden ayatollah Mohammed Baqer al-Hakim (64) en nog ten minste 80 gelovigen de dood bij een zware bomaanslag bij de moskee van het heiligdom van Ali in Najaf. Hoewel beschuldigend naar aanhangers van Saddam Hussein wordt gewezen en straks misschien ook nog naar Al-Qaeda, is de dood van deze zeer invloedrijke geestelijk en politiek leider van vele Iraakse shi'ieten bijna zeker het gevolg van de felle strijd om de macht die in het shi'itische establishment in Najaf is losgebarsten na de val van het bewind van Saddam Hussein.

Hoe dan ook zal de aanslag de shi'itische meerderheid in Irak (60 procent) in grote beroering brengen. Wat dat betreft zijn de gevolgen van deze aanslag nog groter dan die op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Bagdad. Die raakte de Irakezen zelf immers niet rechtstreeks. Wraak hangt in de lucht. Omdat alles wat er fout gaat in Irak tegenwoordig, terecht of onterecht, aan de Amerikaanse bezetters wordt toegeschreven, zal ook ayatollah Hakims dood hun voor de voeten worden gegooid. Wat onder Saddam Hussein wél was geprobeerd maar niet was gelukt, ayatollah Mohammed Baqer al-Hakim net als tientallen van zijn familieleden te liquideren, gebeurde immers al binnen vijf maanden na de omverwerping van diens bewind door de Amerikanen. Het eerste verwijt, dat ze ayatollah Hakim onvoldoende hebben beschermd, is door zijn medestanders al uitgesproken. Het is maar één stap naar de beschuldiging dat ze de hand in zijn dood en die van zovele andere gelovigen hadden. Weg met de Amerikanen! wordt straks de roep bij de begrafenissen.

En er is geen ayatollah Hakim meer die, hoewel zeker niet pro-Amerikaans, een matigende invloed uitoefende binnen de shi'itische gemeenschap. Hakims organisatie, de Opperste Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI), was aanvankelijk behoorlijk fundamentalistisch, zoals haar naam aangeeft. Maar 23 jaar ballingschap in en ervaringen met de Islamitische Republiek Iran hadden de lust tot vorming van een soortgelijk bewind in Bagdad aanzienlijk verminderd. Ayatollah Hakim was geen Iraakse Khomeiny. De SCIRI knoopte vorig jaar dus discreet contacten aan met de Amerikaanse regering en omarmde publiekelijk de democratie. Voor Hakim hoefde er geen islamitische Opperste Leider in Bagdad te komen. [Vervolg NAJAF: pagina 5]

NAJAF

Richtingenstrijd logisch na wegvallen van Saddam

[Vervolg van pagina 1] Hoewel Hakim, en met hem zo goed als alle shi'itische leiders, zeker wel invloed op het toekomstige bewind eiste. Ayatollah Hakim gaf zijn broer en belangrijkste politieke vertegewoordiger, Abdel-Aziz al-Hakim, ook toestemming zitting te nemen in de regeringsraad die vorige maand door de Amerikanen werd gevormd als tussenstap naar een toekomstig bewind. Dat werd door veel shi'ieten gekritiseerd als te Amerika-vriendelijk. Maar ayatollah Hakim was geen vriend van de bezetting: hij riep met regelmaat op tot snel vertrek van de Amerikanen. Hij hamerde er echter tegelijk op dat dit met vreedzame middelen moest worden bewerkstelligd. ,,We mogen pas onze toevlucht tot geweld zoeken als we alle vreedzame middelen en de dialoog hebben uitgeput, en dat is nog niet het geval'', zei hij onlangs nog tegen het SCIRI-orgaan Al-Adala.

Maar in Najaf, waarheen ayatollah Hakim in mei vanuit Iran was teruggekeerd, zijn ook geestelijken met een heel andere kijk op de zaak. De grote Najafse ayatollah-families werden onder Saddam Hussein, die hen als bedreiging zag, met zwaar geweld in toom gehouden. Daarvan getuigen bij voorbeeld de moorden op 29 verwanten van ayatollah Hakim in 1983 en later nog verscheidene anderen. Het was eigenlijk niet meer dan logisch dat na Saddams val een richtingenstrijd zou losbarsten.

Daarin speelt de jonge, radicale Muqtada al-Sadr, ook lid van zo'n ayatollahfamilie maar zelf nog een beginnende geestelijke, een sinistere rol. Zijn aanhangers worden beschuldigd van de moord op Abdul Majid-al-Khoei, zoon van een groot-ayatollah die tot zijn dood in 1992 hoogste geestelijk leider van alle shi'ieten was, in april. De Khoeis waren liberalen, die vonden dat de geestelijkheid zich afzijdig van de politiek moest houden. De jonge Khoei was even voor zijn dood met steun van de Amerikanen uit ballingschap in Londen teruggekeerd.

Kort na deze moord probeerden gewapende aanhangers van Muqtada Sadr de eveneens gematigde groot-ayatollah Ali al-Sistani, groot-ayatollah Mohammed Said al-Hakim (oom van ayatollah Mohammed Baqer al-Hakim) en groot-ayatollah Mohammed Ishaq Fayyed te dwingen Najaf te verlaten. Afgelopen zondag volgde een moordaanslag op groot-ayatollah Mohammed al-Hakim, waarbij drie van zijn lijfwachten werden gedood. Deze aanslag werd, net als die van gisteren, publiekelijk toegeschreven aan aanhangers van Saddam Hussein. Maar officieus wordt ook in deze zaak gewezen naar Muqtada Sadr. Groot-ayatollah Al-Hakim had eerder in een vraaggesprek verteld doodsbedreigingen te hebben ontvangen; ook is zijn zoon bedreigd.

Muqtada Sadr pocht inmiddels al 10.000 leden te hebben geworven voor een islamitisch leger waarmee hij de Amerikanen wil dwingen te vertrekken. In de heilige stad zelf wordt gezegd dat hij zijn aanhangers werft in de shi'itische sloppenwijken van Bagdad. Of dit waar is, is niet duidelijk. Maar een feit is dat zijn manier van doen jonge shi'ieten aanspreekt. Een ander feit is dat voor moordaanslagen niet veel mensen nodig zijn.