Een staat, verwaaid door de passaat

De staat heeft voor de meeste bewoners van de Solomon Eilanden weinig betekenis. Sinds de onafhankelijkheid 25 jaar geleden is de broze staat steeds verder uitgehold. Stutten valt niet mee.

Niemand komt uit Honiara. Als inwoners van het stadje wordt gevraagd naar hun herkomst, noemen ze Malaita, de Weather Coast, Savo of Santa Isabel of – vaker nog – een dorp. Wat nu de hoofdstad van de Solomon Eilanden is, was voor de Tweede Wereldoorlog een plantage. Het stadje ligt aan de noordoostkust van het eiland Guadalcanal. Dat heet in de lokale taal Isatambo (heilig land), maar kreeg halverwege de zestiende eeuw zijn Spaanse naam van de ontdekkingsreiziger Álvaro de Mendaña y Neyra. Zijn geschilderde portret hangt in het eetzaaltje van het Mendana Hotel, het oudste etablissement van Honiara.

Honiara is een verbastering van naho ni ara. In de taal van dit deel van Guadalcanal betekent dat `gezicht naar de oostenwind'. Het terras van het Mendana Hotel biedt uitzicht op de blauwgroene zee. In dit jaargetijde blaast de zuidoostpassaat weldadig en krijgt de naam betekenis.

Mendaña zeilde vanuit Peru westwaarts, op zoek naar de Islas de Salomon, die volgens een Inca-legende zouden bulken van het goud. Toen hij in 1568 landde op een eiland dat hij Santa Isabel doopte, meende hij dat hij ze had gevonden. Zo kregen de Solomon Eilanden hun naam. In de negentiende eeuw verschenen Europese missionarissen en ook een enkele planter uit het Australische Queensland die er met geweld arbeidskrachten ronselde. Die praktijk heette `blackbirding', vanwege de huidskleur van de Melanesische bevolking. Om hieraan een eind te maken riep Groot-Brittannië de eilanden in 1893 uit tot protectoraat. Tot de Tweede Wereldoorlog was Tulagi op het eilandje Florida het koloniale bestuurscentrum.

De staat waarvan Honiara het centrum is, heeft voor de meeste Solomonezen weinig betekenis. Op deze eilanden is alles plaatselijk, de periodieke regenbuien evengoed als de groepsidentiteit. Wie aan een dorpsbewoner vraagt `waar zijn we nu', krijgt te horen `onder een boom' of `in mijn dorp', zelden of nooit `op de Solomon Eilanden'. Een Solomonees beschouwt zich als bewoner van één bepaald eiland, als lid van een taalgroep of een clan. Dit beginsel heet in het pidgin, de contacttaal van de eilanden, wantok (one talk, dezelfde taal). Binnen één groep is dat een sterk bindmiddel, maar tussen de vele etnische en taalgroepen zaait het verdeeldheid. De eerste beweging die de wantok-grenzen overschreed, dateert uit oorlogstijd.

John Roughan, een geboren New Yorker, kwam in 1958 als missionaris naar de Solomon Eilanden. In de jaren tachtig gaf hij het priesterschap op en trouwde hij met een vrouw van het eiland Malaita. Roughan: ,,De Britten hieven belasting en wierven werkvolk voor de plantages. Verder ging hun bemoeienis niet. De oorlog was een keerpunt. Op Guadalcanal waren alleen kokosplantages en verspreide dorpen. De Japanners legden in de noordelijke kustvlakte een vliegveld aan. Daar is heel hard om gevochten en rond Guadalcanal werden enkele grote zeeslagen geleverd.''

De komst van de Amerikanen maakte grote indruk: enorme schepen die tonnen machines en voedsel aan land brachten. Roughan: ,,Wat hun het meest trof, waren de Afro-Amerikaanse GI's, zwarte mensen zoals zij die hetzelfde voedsel aten als de blanken.

De Britse bestuurders gedroegen zich superieur en afstandelijk tegenover de bevolking. De Amerikanen zeiden tegen Malaitanen die voor hen werkten: 'Dit is jullie land; waarom laten jullie je ringeloren door de Britten?' Toen de arbeiders in 1945 naar huis gingen, zeiden ze tegen elkaar: `Dit is de wereld die wij willen, een wereld waarin je met weinig inspanning kunt overleven'.

Zij eisten een betere beloning voor werk op de plantages, onderwijs, het vertrek van de Britten en aansluiting bij de VS. Zij noemden zich Maasina Ruru (broederschap). Deze messiaanse beweging ging uit van Malaitanen, maar trok ook volk van Guadalcanal en andere eilanden. De Britten verstonden Maasina Ruru als Marching Rule of zelfs als Marxian Rule en traden hard op.'' Toch mondde de beweging in 1953 uit in de oprichting van de Malaitan Council. De Solomon Eilanden kregen in 1976 zelfbestuur en werden in 1978 onafhankelijk.

In die 25 jaar zijn de Solomonezen bestuurd door `landgenoten', maar die hadden een zwak ontwikkeld gevoel voor algemeen belang. Zij kochten stemmen en beschouwden de staatskas als een ruif voor zichzelf en hun wantok. Een Europese missionaris met veertig jaar ervaring in de Solomon Eilanden: ,,Het probleem is dat diefstal niet indruist tegen de heersende moraal, mits je niet wordt gepakt en de opbrengst deelt met je wantok. Interessant is dat de politieke elite zich sinds 1978 niet exorbitant heeft verrijkt, want ze kon slechts in het zadel blijven door de buit te delen.'' Roughan beaamt dit: ,,In die 25 jaar hebben we 298 parlementsleden zien komen en gaan (het parlement heeft 49 leden).''

Deze broze staat werd verder ondermijnd door spanningen tussen de Malaitanen, die massaal neerstreken op Guadalcanal, waar sinds de oorlog het politieke en economische zwaartepunt van de Solomon Eilanden lag, en de Guale, de oorspronkelijke bevolking van dit grote, dun bevolkte eiland. Roughan: ,,Volgens het heersende stereotype zijn de Malaitanen hardwerkend en ondernemend en de Guale lui. De kern van het probleem is de overbevolking van Malaita. De Malaitanen zagen in Guadalcanal een leeg land, met nog niet half de bevolking van hun eigen, veel kleinere eiland. Bij de Guale wordt grond overgeërfd in de vrouwelijke lijn en veel Malaitanen trouwden Guale-vrouwen. Tweederde van de arbeiders op de oliepalmplantages komt van Malaita. Zij kregen behalve werk ook huizen, water, onderwijs voor hun kinderen en gezondheidszorg. De Guale reageerden: `En wij dan? Dit is ons land'. De plantage-eigenaren antwoordden: `Dat krijg je als je hier komt werken'. De Guale volstonden echter met inning van compensatie voor hun grond.''

De spanningen kwamen tot uitbarsting in 1998, toen de Guale milities vormden en huizen van Malaitanen in brand staken. In 1999 werden 20.000 Malaitanen van Guadalcanal verdreven. In juni 2000 sloegen die terug. Hun militie, de Malaita Eagle Force (MEF), zette de premier af, plunderde het arsenaal van de politie – grotendeels Malaitanen – en maakte zich meester van Honiara. De Guale-milities – de Isatambo Freedom Movement (IFM) en het Guadalcanal Liberation Front (GLF) – belegerden Honiara.

Eind 2000 deden de Australiërs een eerste poging de brand te blussen. Zij stuurden een ongewapende regionale vredesmacht naar de Solomon Eilanden en dwongen de strijdende partijen een vredesakkoord te tekenen. Toen ontaardde de burgeroorlog in algemene anarchie. De niet ontwapende milities verkruimelden tot ordinaire gangsterbenden. Bendeleiders stalen wat zij stelen konden. De missionaris: ,,Dit was iets anders dan de vertrouwde diefstal uit overheidsfondsen. Deze lieden deelden niet, maar verrijkten zich met geld, huizen en auto's. Zij lapten niet alleen het overheidsgezag aan hun laars, maar ook het gewoonterecht.''

De interventie van Australië en enkele regionale bondgenoten in de Solomon Eilanden, op 24 juli, werd door de bevolking met gejuich begroet. 'Tru nao' riepen zij in pidgin: `Eindelijk, net goed'. Er staat intussen veel op het spel. De Regionale Bijstandsmissie voor de Solomon Eilanden (RAMSI) heeft hier dezelfde messiaanse verwachtingen gewekt als de Amerikaanse landingen in 1943. Australië ziet de missie als een oefening voor verdere politionele acties in de regio en daarom mag ze niet mislukken. Herstel van wet en orde valt echter in het niet bij de taak om deze broze, bijna mislukte staat te stutten.