De dreigende putsch der senioren

Ouderen die steeds maar over hun kwalen zitten te jammeren zijn een plaag, maar ouderen die zich geen zorgen meer maken om hun gezondheid, zijn de desperado's van morgen. Voeg daarbij de aanvallen op de AOW en een putsch van gepensioneerden is niet irreëel. Want zij kennen de weg naar de macht, betoogt Jens Jessen.

De ouderen hebben de toekomst. De politici die op het ogenblik in veel West-Europese landen zinnen op manieren om de kosten van de grijze golf in te perken en zo de toekomstperspectieven van de jongere generatie te redden, zullen nog eens met schrik terugdenken aan de lichtzinnigheid waarmee zij verlaging van de AOW en überhaupt aantasting van de sociale voorzieningen voor ouderen overwogen hebben. Vanaf 85 jaar, zo meende onlangs een Duitse politicus van een jongere generatie, zouden kunstheupen niet meer ten laste van de samenleving moeten komen. Dat kan eigenlijk alleen maar betekenen dat bij een toenemende kans op gebreken het repareren van senioren niet meer loont. Laat de oudjes het zelf maar uitzoeken.

Dat zulke overwegingen onmenselijk zijn, is evident. Maar die constatering gaat aan de kern van het naderende conflict volkomen voorbij. Want de ouderen zoeken het zelf heus wel uit. Hun mobilisatie zal niet op zich laten wachten. Ouderen die steeds maar over hun kwalen zitten te jammeren zijn een plaag, maar ouderen die zich geen zorgen meer maken om hun gezondheid, zijn de desperado's van morgen. Ouderen die niets te verliezen hebben, kunnen het kleinkind dat zij vandaag nog liefdevol verzorgen, morgen al op het balkon vergeten. Wat hebben zij te vrezen? De gevangenis soms? Verwijten van de familie? In de gevangenis heb je tenminste een dokter en warm eten.

Bejaarden die met angstaanjagende onverwoestbaarheid op hun geld zitten zijn een bezoeking voor ongeduldige erfgenamen, maar ouderen die niets meer te eten hebben kunnen gevaarlijker worden dan herdershonden. Wat let hun om in de supermarkt massaal aan het jatten te slaan? Oudjes die niets te verliezen hebben kunnen zich aaneensluiten en plunderend door de steden trekken – wat zij aan lichaamskracht tekortkomen, maakt hun aantal wel goed.

Bejaarden die niets te verliezen hebben vormen een veel groter gevaar dan jongeren zonder toekomstperspectief. Wij zien ouderen graag als onschadelijk en meelijwekkend, maar dat kan veranderen. Stel je voor dat de huismeester terugkeert naar zijn oude werkplek – hij heeft indertijd natuurlijk een kopie van de sleutel bij zich gestoken – en in de kelder van een woonblok de zaag zet in een gasleiding. Of stel je voor dat de bankdirecteur met een laatste snipper inside information, die hij per fax uit het tehuis voor daklozen stuurt, de koers van zijn vroegere zaak laat kelderen.

Gesteld dat de ouderen zich eens níet meer door enige solidariteit gebonden voelen aan de samenleving die van haar kant de solidariteit tussen de generaties heeft opgezegd. Het netwerk van Al-Qaeda zal dan niet meer met pijn en moeite jongeren uit hun speelhallen hoeven lokken en naar een vliegopleiding in de Verenigde Staten sturen. Het zal een beroep doen op gepensioneerde lijndienstpiloten, wier haat jegens de samenleving niet eerst in koranscholen hoeft te worden aangekweekt. Kranige oudjes zullen zich met de laatste liters kerosine in de roestige tanks van de sportvliegtuigen uit hun betere dagen in kamikazevlucht op de Sociale Verzekeringsbank storten.

De `Actie Horzel' zou op een loodgrijze novemberochtend de Hohenzollerndamm in Berlijn moeiteloos kunnen veranderen in een vlammenzee. In de daaropvolgende ongeregeldheden zouden bendes senioren van wijk naar wijk trekken en alles plunderen wat los en vast zit – om zich na drie dagen, wanneer zij het roven zat zijn, met champagne en golfclubs op de bankjes in het park neer te zetten en de viooltjes een scheut Chanel No. 5 te geven. Iedereen die er tegen zou willen optreden, zou er met putters en ijzeren staven van langs krijgen – de politiecommandant zou al tijdens de rellen met een drive van tweehonderd meter in coma zijn gelegd. ,,Het is goed voor de ledenwerving'', zou professor Müller (74), de woordvoerder van de Verenigde AOW- en Ouderenraden, zeggen. ,,Wanneer die brave politieman in het ziekenhuis merkt dat zijn fonds de behandeling niet meer betaalt omdat hij binnenkort met pensioen gaat, sluit hij zich bij ons aan en wordt hij de felste van de hele meute.''

Straatgevechten en plunderingen zouden misschien alleen maar een eerste stap zijn. Op een dag zal op prime time het tv-scherm even flakkeren, waarna in plaats van de gewone omroeper een grimmige grijskuif verschijnt, die met zijn kruk de desk van de nieuwslezer een oplawaai geeft en meedeelt dat de zender is overgenomen. ,,Hier spreekt de Derde Duitse Levensfase. In de studio begroeten wij professor Müller in gesprek met de directeur van het Nationaal Arbeidsbureau. De directeur van het Nationaal Arbeidsbureau is de gevangene van de 11-novemberbeweging. U ziet hem live vanuit de kluis van de Bundesbank.''

De verovering van de omroepen wordt voor de ouderen een fluitje van een cent – zij hebben immers, van portier tot directeur, die instellingen indertijd zelf gerund. Nu zitten zij weer achter hun bureaus, kijken smalend de paperassen door van de groentjes die hen zijn opgevolgd, en voeren een stuk hoempapamuziek in als tune van het Journaal, waarop in de toekomst, wie weet, een keer de vorming van een junta van gepensioneerde generaals zal worden bekendgemaakt. ,,Met grote bezorgdheid'', zal de woordvoerder van de junta zeggen, ,,hebben wij met het oog op burgeroorlogachtige ongeregeldheden op grond van escalerende gevechten om de verdeling blabla in een samenleving die op instorten staat blabla voor een overgangsperiode blabla met een eerlijke verdeling over de generaties blabla alle instanties blablabla.''

Bloed zal bij de machtsgreep niet vloeien. Op een dag zullen de oudjes overal naar hun oude werkplekken terugkeren, niet alleen bij de zenders, maar ook achter het stuur van vrachtwagens, de loketten van de bank, de bureaus van de bureaucratie. Zij zullen daar al zitten wanneer de jongelui verrast op hun werk verschijnen, want vroeg opstaan is voor ouderen geen probleem. Uit thermosflessen zullen zij geurige koffie zitten drinken wanneer de jongeren op kantoor komen en de sinds lang vergeten schrikbeelden herkennen. Daar heb je hun vroegere voorgangers en bazen, die hun thans, met een glimlach om slappe knieën en klamme handen van te krijgen, een stoel aanbieden. ,,Weet u nog, jonge vriend, dat u hier als stagiair hebt gezeten?''

En óf de jongeren zich dat nog herinneren. Meteen voelen zij zich weer stagiair. Zij zullen door alle duivels van de herinnering voortgejaagd naar huis snellen en al op de gang roepen: ,,De ouwe is terug! Schat, weet je wie terug is? De ouwe! De ouwe zat in mijn kantoor en vroeg of ik nog wist hoe ik me als stagiair gevoeld had!''

,,En wat heb je gezegd'', zal de echtgenote vragen. ,,Ik heb niets gezegd'', antwoordt de man. ,,Je bent een kluns'', zegt de vrouw, ,,een eeuwige stagiair. Jullie zijn een generatie van stagiairs; nu zijn de profs terug!''

En de vrouw zal zich de volgende dag mooi maken en met decolleté en korte rok – dat zien de oudjes graag – naar het kantoor van haar man gaan en de voormalige baas complimenten maken. Maar het resultaat is niet dat haar man zijn baan terugkrijgt, neen, het resultaat is dat zíj een baan krijgt. De enige jongeren die na de machtsgreep van de senioren überhaupt nog een kansje hebben, zullen de knappe vrouwen zijn. Zij worden de maîtresses van de ouderen; sommigen zullen kinderen van hen krijgen, en waar dat langs de natuurlijke weg niet lukt zal de gentechnologie een handje helpen, want die is ooit door de ouderen uitgevonden en alleen door de jongeren verboden.

Maar nu is het gedaan met het verzet van de jongeren tegen de vooruitgang. De ouderen zijn terug, zij willen een toekomst en zij verschaffen zich een toekomst.

De gekloonde of langs kunstmatige weg verwekte, of door gekke oude professoren met wapperende witte haren in laboratoria zomaar in elkaar geknutselde kinderen zullen opgroeien in bejaardenhuizen, waar zij van jongs af aan vertrouwd raken met rolstoelen, krukken, sigaren en blaasmuziek. Betwetertjes worden het, ordelievend en streng, en wanneer zij op hun derde beginnen te praten, geven zij meteen een anekdote uit de laatste oorlog ten beste, steken een sigaar op en gaan naar de golfbaan. De ouderen zullen kinderen naar hun evenbeeld voortbrengen, zij zullen een jeugd van senioren kweken, opdat zij nooit meer het gevaar lopen dat zij door die vervloekte tussengeneratie hebben geriskeerd.

En de tussengeneratie zal het lot ten deel vallen dat zij eens de ouderen had toegedacht. Zij zal uit haar huizen worden verbannen, waarin nu de schoonvaders zich vermaken met de schoondochters, en zij zullen stilletjes worden opgeborgen in sanatoria, maar helaas zonder schoon beddengoed, zonder kuitverbanden en zonder thé dansant. Hooguit krijgen ze watergymnastiek – van 's morgens tot 's avonds watergymnastiek. Een paar oudjes met sadistische neigingen zullen als strenge leiders in de verzorgingstehuizen terugkeren om daar te drillen wat zij eens zelf hebben moeten verduren.

Maar hoe zal het de nieuwe kinderen vergaan? De kinderen zullen een nieuwe staat grondvesten op eerbied voor de oude dag. Men zal de senioren voortaan beschroomd en eerbiedig tegemoet treden en op straat de hoed voor hen lichten. De laatste gefluisterde woorden van stervenden zullen worden gekoesterd als sprak het orakel van Delphi, en van professor Müller worden bronzen beelden opgericht naast die van Bismarck en Scharping, die niet meer om hun militaire en politieke verdiensten worden geëerd, maar omdat ze zo oud geworden zijn. Het passief kiesrecht verkrijgt men bij zijn pensionering. Golfspelers worden, de heroïsche revolutie waaraan de nieuwe staat zijn oorsprong dankt indachtig, slechts boven het zeventigste levensjaar toegestaan.

De jongeren eten pas nadat de ouderen gegeten hebben – zij moeten gaan staan wanneer de ouderen het woord voeren – zij moeten de auto in de berm zetten wanneer een konvooi senioren passeert. De siësta wordt strikt in acht genomen, kindergehuil is strafbaar, het enige hoorbare teken van leven dat wordt geduld is het getinkel van taartvorkjes en koffiekopjes. Stil zal het zijn in onze steden, zelfs het kleinste zuchtje wind dat door de cipressen strijkt zal te horen zijn – de cipressen, die hun kruinen buigen voor de ouderdom.

Jens Jessen is redacteur van Die Zeit.

© Die Zeit.

    • Jens Jessen