Avond in het Leudal

Op den duur zit er niets anders op dan dingen die je hebt gedaan, nog eens te doen. Ik ben al eerder op bevers uitgeweest, februari 1989, een winteravond in de Biesbosch. Nu dus een zomeravond in het Leudal in Midden-Limburg. Naast me zit Piet Zegers, de boswachter.

Het water is bruin, niet bepaald sprankelend. Het lijkt eerder voorbij te glijden dan te stromen. Geruisloos ook. De kringen die je hier en daar aan de oppervlakte ziet ontstaan, zijn het werk van schaatsenrijders, geen regendruppels. Beek, oevers en bos samen maken een moerasachtige indruk.

Ons zicht is beperkt. In de bocht aan de ene kant, waar bovendien een warrige hoop hout in het water ligt, is het eigenlijk meteen al donker. Het rechte stuk aan de andere kant, waar het licht nog goed is, verdwijnt onder overhangende takken. Daar zitten een paar eenden, doodstil. Daar gaat een ijsvogeltje, knalblauw. En nog een ijsvogeltje. Of dezelfde.

Minuten verstrijken. Zwárte specht, zegt Zegers zachtjes.

Zwarte specht bij een geluid dat alweer verstomd is. Voetstappen achter ons? Sluipt daar wat? Knabbelt daar wat? Daar blaft, in de verte, in ieder geval een hond. De bewoonde wereld. Zaterdagavond. Ergens begint de feestmuziek. Ergens rijden auto's.

Dan opeens weer een ijsvogeltje. Hij jakkert met een noodgang, en een noodkreet!, over het water – knalblauw nog steeds, maar nu door gevaar overschaduwd, een roofvogel, waarschijnlijk een sperwer. Een ijsvogeltje dat op zijn huid wordt gezeten door een sperwer, normaal is dat wel een verhaal waar je mee thuis kunt komen.

Wachten op een bever. Je kunt je voorstellen dat hij zich op dit moment geeuwend uitrekt. Hij weet hoe laat het is. Hij vraagt zich af: zal ik gáán of zal ik me nog een keer omdraaien? Misschien wel recht tegenover ons. Onder een verweerd stuk boomstam zit een gat in de oever. Niet duidelijk hoe diep dat gaat. Telkens als er iets beweegt, beweegt er niets.

Om zeven uur hadden we ons verzameld in de werkschuur van Staatsbosbeheer, een stuk of acht vrijwilligers. Vilmar Dijkstra van de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming; (VZZ) had de leiding. Hij spreidde de kaart uit, wees waar hij de wachtposten dit keer had gedacht en maakte in overlag met Piet Zegers duidelijk hoe je moest lopen. Nieuwe dieren, nieuwe territoria. ,,Het probleem is dat we nog niet precies weten hoe die zijn ingedeeld.''

Twee weken terug was er ook zo'n weekend geweest. Toen waren er verscheidene dieren gezien. ,,Zeker drie, waarschijnlijk vier en misschien vijf'', zoals Vilmar met kennelijk plezier zei. Want vijf, dan heb je ze allemaal.

En gisteravond zijn er vermoedelijk jongen gehoord, wat een sensatie zou zijn. Dus iedereen extra opletten! Doe het geluid van jonge bevers nog eens, Vilmar. Dat lispelt en zuigt een beetje. Volwassen klinkt het meer als knorren.

Sinds 1826 stond de bever bij ons als uitgestorven te boek. In 1988 werd hij weer tot leven gewekt. Dat jaar werden in de Biesbosch zes bevers uitgezet. Daar zitten er nu tegen de honderd, plus een stuk of vijftig in de Gelderse Poort (uitgezet in 1994), en 15 tot 20 in Flevoland (ontsnapt uit een natuurpark) en minstens tien langs de Maas in Limburg (uitgezet in 2002). Alle in Nederland uitgezette bevers zijn gevangen in het stroomgebied van de Elbe in het oosten van Duitsland.

Her en der langs de Maas, in zijriviertjes en beekstelsels, worden al langere tijd bevers aangetroffen die kennelijk afkomstig zijn uit de Eifel (ook weer van een reïntroductieprogramma). Op initiatief van de provincie Limburg zijn er vorig najaar tien dieren bij uitgezet, waarvan de helft dus in het Leudal. De provincie heeft het project uitbesteed aan de Stichting Ark, die op haar beurt de monitoring (het volgen van de dieren in het veld) heeft uitbesteed aan de VZZ.

,,Hebben bevers het wel goed bij ons?'', vroeg ik.

,,Dat is een goeie vraag'', zei Vilmar.

In de Biesbosch zijn toen, verdeeld over vier jaar, in totaal 42 dieren uitgezet. In de tijd daarna hebben ze hun aantal nauwelijks weten te verdubbelen.

In het begin zijn er fouten gemaakt bij het uitzetten zelf. De dieren kwamen in bezette territoria terecht en dat veroorzaakte veel stress, zowel bij de nieuwkomers (hoge sterfte) als de veteranen (lage reproductie).

Toen de populatie eenmaal tot rust kwam, bleek de Biesbosch zijn bevers maar karig te bedelen. Nergens ter wereld hebben de dieren zo'n groot territorium nodig als hier: gemiddeld 13 km oeverlengte, tegen 0,5 tot 6,5 km in het buitenland.

De jongen die in de Biesbosch worden geboren doen het redelijk. Maar het zijn er te weinig. Jaarlijks weet maar 50 procent van de beverparen zich voort te planten. In het Elbegebied is dat 66 procent. De vrouwtjes zijn kennelijk niet in optimale conditie. De oorzaak werd eerst in zware metalen gezocht. In maart, als ze weer opleven, zuigen de bomen de vervuiling van vroeger uit de bodem, en bevers eten de bast van die bomen – hun nieren druipen gewoon van het cadmium. Dat is niet gezond. Maar voor de voortplanting schijnt nu het teveel aan cadmium minder slecht te zijn dan een tekort aan natrium en fosfor. Hazelaar en inheemse vogelkers, die in deze bouwstoffen kunnen voorzien, zijn in de Biesbosch dun gezaaid. De bevers die ze weten te vinden vreten ervan als gekken – en zo worden het er in rap tempo nog minder.

De populatie in de Biesbosch kwijnt niet, maar ze bloeit ook niet. Van een spontaan uitwaaieren over ons land, waarop natuurlijk gehoopt of gerekend was, blijkt in ieder geval niets.

Van één dier staat vast dat het in 1995 uit het gebied vertrokken is. Via Willemstad (waar hij werd gezien) en de Beninger Slikken (waar vraatsporen werden aangetroffen) heeft hij de Rhoonse Grienden weten te bereiken, en daar zit-ie dan, onder de rook van Rotterdam, moederziel alleen.

Ik kijk op mijn horloge.

Maar ook zonder dat je op je horloge kijkt: het wordt later en later, donkerder en donkerder. En dan is er altijd nog wel een merel die zich verrast voelt door het vallen van de nacht en met veel kabaal de struiken in vlucht.

Nu kunnen we onze ogen dichtdoen, nu bestaat de wereld alleen nog maar uit geuren en geluid.

Bosuil, zegt Zegers zachtjes.

De wind ritselt in de populieren aan de overkant.

Er ploft iets in het water en in het licht van de staaflantaarn zien we een eikenblaadje drijven.

In de Biesbosch waren de bevers indertijd gezenderd, makkelijk op te sporen. Ik heb ze gezien. Ik heb ze gezien en gehoord, vooral gehoord. Tegen middernacht was het en we stonden daar, ergens op een paadje in die natte wildernis, eindeloos te wachten en te kletsen, ongeveer net zo zacht als Zegers zo-even `bosuil' zei.

En vlakbij produceerde een bever onverstoorbaar zijn bevergeluiden: het druipen van water, het soppen van slijk, het slepen met takken, het knagen aan hout, het raspen van bast. Voor het eerst sinds 1826!

Lyrisch was ik toen. En nu? Bevers doen dingen met hout die geen enkel ander dier ze nadoet, dat staat vast. Maar wat betekenen tweehonderd bevers voor een heel land? Knutselwerk.

Aan de andere kant: ze belichamen, zeker als ze er willens en wetens zijn neergepoot, de waarde van een bepaald gebied. Je mag toch verwachten, hopen op z'n minst, dat een overheid voorzichtiger zal zijn met ingrepen in een Biesbosch mét dan in een Biesbosch zonder bevers. Zo gaat er wellicht een conserverend effect van ze uit, is het niet in ecologische, dan is het wel in politieke zin.

Om half elf mogen we opbreken. Je moet maar denken: het is ook belangrijk om te weten waar ze niet zitten.

Om elf uur terug in de werkschuur van Staatsbosbeheer. De één na de ander komt binnendruppelen en er blijken twee bevers te zijn gesignaleerd. In het donker. Iemand hoort een beweging in het water, iemand ziet een boeggolf glinsteren, iemand richt zijn staaflantaarn en de bever duikt onder, met een harde klap van zijn staart, harder nog dan de plof van een eikenblaadje.