Alles dankzij meer democratie

De bloei van de Nederlandse Republiek bouwde voort op een middeleeuwse structuur. Om daar van los te komen was een hele worsteling, vertelt Spinozapremie-winnaar Jan van Zanden.

Altijd maar weer die Republiek. Bijna twintig jaar Bataafse & Franse Tijd (1795-1813) waren bij lange na niet lang genoeg om los te komen van de stagnatie van de late Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden. Daar was minstens zestig jaar voor nodig. Pas rond 1850 was die politieke en economische erfenis afgeschud. ``En nog'', zegt economisch historicus Jan Luiten van Zanden: ``je zou kunnen zeggen dat het poldermodel, dat we ons van vergadering naar vergadering slepen in dit land, ook een erfenis is van de zeventiende eeuw.''

Samen met Arthur van Riel schreef Van Zanden het verhaal van de erfenis van de Republiek in het boek Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling (Balans 2000). Eerder schreef hij Een klein land in de 20e eeuw. Economische geschiedenis van Nederland 1914-1995 (Het Spectrum 1997). Van Zandens inspanningen voor een nieuwe economische geschiedenis van Nederland werden deze week beloond met de Spinozapremie van NWO, anderhalf miljoen euro naar eigen inzicht te besteden aan onderzoek.

In een vergaderzaaltje op het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam, waaraan hij naast zijn hoogleraarschap in Utrecht verbonden is, vertelt hij over zijn onderzoek. De helft van het prijzengeld gaat naar zijn nieuwe IISG-project: de economische geschiedenis van Indonesië. De andere helft gaat naar zijn Utrechtse onderzoeksgroep. ``We zoeken nu naar de wortels van de bloei van de Republiek: de wonderlijke economische bloei van Holland in de vijftiende en zestiende eeuw. Rond 1500 was daar al een sterk verstedelijkte economie, slechts een kwart van de bevolking werkte in de landbouw. Waarom? De klassieke verklaringen van de politieke autonomie, de geografische ligging, de handige waterwegen, voldoen niet, want dat was er in het jaar 1000 ook allemaal al! De verklaring voor die wonderlijke economie zoeken we in de institutionele context: bescherming van eigendomsrechten en grondrechten, systemen van marktregulering. Dat was vermoedelijk allemaal beter dan elders. En dat heeft iets te maken met het ontbreken van een sterk feodaal gezag. Maar dat moeten we dus nog gaan bewijzen.''

Een ander klassiek economisch-historisch probleem heeft Van Zanden al wel opgelost: waarom Nederland, dat in de zeventiende eeuw zo ongeveer het modernste land ter wereld was, toch zo laat industrialiseerde, pas rond 1870. Engeland was toen al een eeuw bezig met industrialiseren. Van Zandens verklaring: pas toen had Nederland de institutionele en politieke beperkingen van de vorige fase van zich afgeschud. De bloeitijd van de Republiek was in essentie de bloei van een middeleeuwse handelseconomie, die stagneerde in de achttiende eeuw. En de structurele oorzaken van die stagnatie werden pas doorbroken door een liberale revolutie in de jaren 1840.

Het toverwoord is institutionele economie. Zoals Van Zanden en Van Riel het in Nederland 1780-1914 opschrijven: `De regels die door de staat worden vastgelegd voor het economomisch leven en de opeenvolging van grondwetswijzigingen (van de Unie van Utrecht van 1579 tot de grondswetswijziging van 1887 waardoor het kiesrecht uitgebreid werd), zijn van richtinggevend belang geweest voor het scheppen van nieuwe kaders voor het economisch leven.' Zonder de democratische revolutie van 1848, de geboorte van het huidige Nederlandse parlementaire bestel, was de economische doorbraak van 1870 dus niet gelukt. Van Zanden: ``Voorheen werd de late industrialisatie van Nederland nooit in verband gebracht met de zeventiende en achttiende eeuw. Het werd in isolement bestudeerd, zonder het te relateren aan de periode daarvoor. Er werd verwezen naar de Jan Salie-geest of het ontbreken van steenkool en zo. En naar de hoge lonen. Dat speelt allemaal wel mee, maar het belangrijkste punt is dat je die late industrialisatie niet kunt verklaren als je niet teruggaat naar de problemen van de achttiende eeuw.''

Het traditionele economisch-historische verklaringsmodel, waarbij de economische onderbouw eenvoudigweg de politieke ontwikkeling bepaalt (`Franse revolutie als gevolg van hoge graanprijzen') is hopeloos verouderd. Van Zanden: ``Daarin gelooft niemand meer. De invloed van de politieke instituties is lange tijd genegeerd omdat we een economische theorie hadden waarin het ontstaan van de industriële revolutie vooral bepaald werd door de hoeveelheid investeringen. Maar zo simpel is het natuurlijk niet.'' Van Zanden heeft zich goed gedocumenteerd. In de jaren tachtig begon hij een groot opgezet en inmiddels voltooid project om de vaderlandse Nationale Rekeningen (bruto nationaal product, betalingsbalans, enzovoorts) te reconstrueren vanaf 1800 – vooral voor de negentiende eeuw een taaie klus.

Wat vooral opvalt is het grote belang van een democratisch bestel voor de ontwikkeling van een moderne economie.

Van Zanden: ``Ja. Zonder enige vorm van democratie worden de grondrechten niet voldoende gehandhaafd en worden grote investeringen te onzeker. Er wordt vreemd genoeg niet altijd de nadruk op gelegd, maar dat is inderdaad een heel belangrijke conclusie van de institutionele economie. Ik zie dat nu ook weer bij de grote andere studie waaraan ik werk, de economische ontwikkeling van Indonesië. Daar zijn de grondrechten, zowel politiek als economisch, niet gegarandeerd, en komt de economie dus niet van de grond. In de koloniale tijd niet en nu nog niet.''

Betekent dat nauwe verband tussen democratie en economie dan ook dat de niet-democratische `experimenten' in de vorige eeuw, het communisme en het fascisme, in feite economisch ten dode waren opgeschreven?

``Ja, daarvan zijn steeds meer economische historici overtuigd. In Nazi-Duitsland bestonden al heel snel enorme economische problemen. Die vielen toen niet zo op omdat het kapitalisme in die tijd óók grote problemen had. Recent heeft een collega uitgezocht dat de levensstandaard in nazi-Duitsland helemaal niet naar boven ging in de tweede helft van de jaren dertig, zoals vaak beweerd was. Voor die conclusie moest hij wel terug naar de basisgegevens, naar de lengtegroei van de mensen in die tijd. Daaruit bleek een dalende consumptie. Alleen met dat soort gegevens kun je dus alle vervalsingen en mystificaties omzeilen!''

Waarom duurt het dan toch nog tot 1870 voordat de industrialisatie van Nederland begint, toch dik twintig jaar na de democratische hervormingen?

``Wij hebben vastgesteld dat zo rond 1865, 1868 de zaak echt begint door te breken. Het gat tussen die hervormingen en de opkomst van de industrie is volgens ons te verklaren uit het feit dat de liberalisering van het handelsverkeer een enorme impuls geeft aan de landbouw. De landbouw trekt veel geld aan, en daardoor is er minder geld voor andere sectoren. Die bloei moet over zijn voordat je een ommezwaai richting industrie en dienstensector krijgt. Dat gebeurt rond 1865.''

Betekent dat dan ook dat het begin van de industriële revolutie, in Engeland in de achttiende eeuw, het noodzakelijke gevolg is van de parlementaire hervormingen daar in 1688, de Glorious Revolution?

``Nou, dat gaat te ver. Het is tot op zekere hoogte toeval dat de industriële revolutie in Engeland begon, maar het is géén toeval dat het in West-Europa gebeurde. Dat was tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Er was sinds de Middeleeuwen zo'n opbouw van grondrechten en van kennis van economische processen dat het er wel een keer van moest komen, dat de productie ineens enorm omhoogschoot. Er zijn verschillende pogingen gedaan om door de barrières van het oude systeem heen te breken. Italië in de renaissance was zo'n bloei-economie, maar dat loopt uiteindelijk tegen de institutionele en technologische grenzen aan. De Nederlandse Republiek is een tweede en betere poging, maar die redt het ook net niet. Ja, de vraag is dan toch: who's next?''

En steeds is er dat verband tussen grondrechten en economie?

``Ja, dat is het macroverhaal achter al mijn onderzoek. Dat proces begint in Europa in de Middeleeuwen, in de democratische vernieuwingen in de steden, met de eigen rechtbanken daar en de bescherming van het eigendom. Andere delen van de wereld hebben die revolutie niet gehad. Dat verhaal over het economische belang van de democratische traditie wil ik over zo'n vijftien jaar helemaal af hebben. Want dat verklaart volgens mij de opkomst en dominantie van het Westen in de wereld. Daarom ben ik nu ook bezig met Indonesië. Uiteindelijk ben ik op zoek naar de oorzaken van de ongelijkheid in de wereld. Ooit ben ik begonnen als ontwikkelingseconoom, en via de omweg van de Nationale Rekeningen van Nederland en Indonesië kom ik nu weer terug bij de grote vragen.''

Terug naar de beperkende instituties in Nederland. Uit uw werk krijg ik de indruk dat de enorme schuldenlast van de Republiek zo ongeveer de Alfa en Omega van de stagnerende ontwikkeling in de achttiende eeuw was. Klopt dat?

``Die speelde een heel belangrijke rol. Waar andere staten, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, wel eens failliet gingen, deed de Nederlandse elite zijn uiterste best om de schuldenlast te behouden, want die had zijn eigen vermogen daarin belegd. Bijna elke koopman en burgemeester was afhankelijk van inkomen uit vermogen dat belegd was in de staatsschuld. Daardoor bestond er een vrij zware belastingdruk, want de rente moest dus wel betaald worden. Maar die lastendruk is niet het hele verhaal van de stagnatie. Het gaat ook om de verstikkende rol van de gilden, om de vele kartels van allerlei ondernemers. In de zeventiende eeuw ontstaat in de Republiek een heel vitale economie, die is ingebed in een complex van instituties en regels. In feite was het een voortzetting van de middeleeuwse handelseconomie, met nog overal handelsbarrières en verschillende privileges. Aan het eind van de zeventiende eeuw worden we ingehaald door de buurlanden. En dat oude corporatieve systeem is dan niet in staat zich verder te ontwikkelen, want er is geen mechaniek om daar verandering in te brengen. Als we tegenwoordig de winkelsluitingswet willen veranderen, kunnen we dat via het parlement afspreken. Dat soort mechanismen om gevestigde belangen te doorbreken ontbraken, dus de zaak verstarde.''

En hoe werd dat dan uiteindelijk wel doorbroken? In de Franse tijd ging de staat feitelijk failliet – exit de schuldenlast – en werden de gilden afgeschaft. Maar de groei bleef toch uit?

``Er bleven ook daarna allerlei kartels van kooplieden en makelaars bestaan. Daaraan werd pas in de jaren veertig een einde gemaakt, vooral door de stedelijke overheden. Belangrijk voor Amsterdam en Rotterdam was dat na 1830 Antwerpen zich ging profileren als concurrent, België legde zelfs een IJzeren Rijn naar Duitsland aan. Het oude beleid, gericht op bescherming van een kleine handelselite en het halen van zo veel mogelijk winst uit die doorvoer richting Duitsland, werkte niet meer. Ook al omdat Pruisen het Hollandse monopolie niet langer pikte. Toen pas werd een einde gemaakt aan die corporatistische samenleving van de Republiek waarin iedereen zijn plaatsje had en waarin een verlammend evenwicht tussen de verschillende politieke groepen bestond. Dat was ook koning Willem I (1813-1840) niet gelukt, ondanks zijn inzicht en zijn grote macht. In feite had hij zelfs te veel macht: al zijn onafhankelijke raadgevers verdwenen naar de achtergrond, alleen de ja-knikkers bleven over. Pas in het verzet tegen Willem I gaan de Nederlandse liberalen zich goed organiseren, en slagen zij erin de zaak te doorbreken in de jaren veertig.''

Wat is een concreet voorbeeld van die veranderingen?

``Het belangrijkste dat werd afgeschaft is de broodzetting en het accijns op het gemaal: de overheid bepaalde wat de broodprijs was en er werd belasting geheven op het malen van graan. Daardoor was de broodprijs kunstmatig hoog, waardoor de kosten van levensonderhoud hoog bleven en dat had weer een belangrijk effect op de lonen, en dus op de economische bedrijvigheid. Bakkers en molenaars profiteerden daarvan – ook zo'n gilde dat officieel was afgeschaft maar in werkelijkheid nog bestond. Die gevestigde macht werd toen doorbroken. Lagere prijzen leidden tot lagere lonen, en dan kun je dus eerder een fabriekje beginnen. Een ander voorbeeld is afschaffing van makelaarskantoren in grote steden, dat zijn de kooplieden die een belangrijke rol spelen in de tussenhandel. En de accijns op steenkool werd afgeschaft, die accijns was de belangrijkste reden waarom kolen hier duur waren. En zo was er nog veel meer dat werd afgeschaft.''

En waar zijn we nu?

``Als eind negentiende eeuw de industrialisatie eenmaal goed op gang is, ontstaat er in feite een nieuw corporatisme: de verzuiling. Dat is een reactie op de snelle modernisering, maar het is ook inherent aan het systeem van parlementaire democratie dat er dan ingevoerd wordt. Daardoor worden er nieuwe politieke krachten vrijgemaakt voor de sociaal-democraten en de confessionelen. Overigens gaat het dan met de regelgeving voor de economie wel heel traag in Nederland, vooral omdat de partijen die het meest geïnteresseerd zijn in arbeidsrechtwetgeving, de protestanten en sociaal-democraten, politiek juist heel erg tegenover elkaar staan. Pas na de Tweede Wereldoorlog komt die corporatistische structuur tot volle wasdom, met de SER en de geleide loonpolitiek en het industrialisatiebeleid. Dat leidt tot een enorme economische dynamiek, die in de jaren zeventig tegen zijn grenzen aanloopt. Sindsdien hebben we een vrij succesvolle overgang naar een diensteneconomie gemaakt. En dat succes heeft de corporatieve dimensie ook wel weer versterkt. Het poldermodel, de afspraken tussen werkgevers en werknemers, loonmatiging: dat zijn elementen uit het oude systeem die ook nu weer functioneren. We zitten dus helemaal niet in een fase als in de jaren 1840, met een scherpe overgang van corporatisme naar een liberale economie. Nee, de geschiedenis herhaalt zich niet.''