Wij waren doemproducten

Jef Hofmeister componeerde een rockopera over een kraakpand in de jaren tachtig met een rockster en een anti-bontactivist. Ze lijken sprekend op Herman Brood en Volkert van der G. .

`We kwamen vanaf de Blauwbrug. Het Rokin was uitgestorven. 30 April 1980, krakersrellen bij de kroning van koningin Beatrix. We waren na hevige gevechten door het ME-kordon gebroken en kwamen nu in een soort vacuüm terecht waar we gewoon konden doorlopen. Net als met Risken. Bij de Dam stond slechts één rijtje agenten met de platte pet. Er stonden zelfs agentes tussen. Niemand had er rekening mee gehouden dat we zo ver zouden komen. We bleven staan, aarzelend, de agenten zeiden: `Doe nou niet, jongens.' Een onwerkelijke situatie. En doordat we geen tegenstand aantroffen, begonnen we te twijfelen. Op de Dam stonden allemaal Oranjeklanten, bejaarden, kinderen. Wat moesten we daar doen?''

Jef Hofmeister (1957), componist en leider van het Volksoperahuis, beleefde de kroningsdag als rellende kraker. Drieëntwintig jaar later maakt hij een `post-punk-opera' over die tijd: Doop! In het muziektheaterstuk zien we de opkomst en ondergang van Nirwana, een idealistische krakersgemeenschap in de jaren tachtig. Een boze huiseigenaar wil het kraakpand sluiten. Hofmeister: ,,Dat is een beetje Annie Schmidt, hè. De Petteflet wordt bedreigd!'' Hofmeister maakt Doop! samen met collega ex-kraker en regisseur Peter Pluymaekers van theatergroep Zep, en David Hollestelle, voormalig gitarist van Herman Brood.

In het piepkleine Cleyntheater in Amsterdam-Noord, in de schaduw van een naargeestige flat, repeteert de groep. De spelers hebben enige hinder van de ratten en de kakkerlakken die hier wonen. Pluymaekers: ,,De flat is net met gif behandeld, maar ze zijn het theater vergeten, dus alle dieren zijn hier naartoe gevlucht. Het geeft op zich wel aardig de sfeer van een kraakpand.''

Als de Vlaamse popzanger Ernst Löw een seksscène moet spelen met musical-actrice Annick Boer wordt er eerst een groot kampeerzeil over de vloer gelegd. Boer: ,,Ik ben als de dood dat er kakkerlak-eitjes aan mijn jurk blijven kleven en ik ze mee naar huis neem.''

Boer draagt een zwarte onderjurkachtige jurk. Kees Scholten, die samen met Hofmeister het Volksoperahuis leidt, draagt een verschoten zwart gemeentejasje. Ernst Löw draagt het uniform van de rockster: zwarte, ongekamde haren, zwart overhemd met de borst half ontbloot, de dunne benen in een nauwsluitende spijkerbroek met scheuren op de knie, puntschoenen. Repeteren de spelers één maand voor de première al in kostuum? Scholten: ,,Nee, nee, dit is onze eigen kleding.''

Drugsgebruik

Doop! draait om twee vrienden, een popzanger en een activist, die staan voor de twee kanten van de kraakbeweging: de creatieve en de politieke. Doctor Sax is een coke en speed gebruikende clown, die met ontwijkende, ontregelende grappen de ernst van de anderen ondergraaft. Hij huppelt overal tussendoor en is de ware vrije geest in het pand. Hij gaat ten onder aan zijn bovenmatige drugsgebruik. De activistische vriend, Wallie van der Vee, houdt marmotjes, wordt militant en schiet een huizenspeculant dood. Zo wordt de neergang van de kraakbeweging getoond.

Wanneer Ernst Löw op het podium zijn mond opentrekt, blijkt dat hij perfect de stem en intonatie van Herman Brood kan imiteren. Als hij hiermee gecomplimenteerd wordt, zijn de anderen wat verbaasd. Doet Löw dan expres Brood na? Löw steekt een sigaret op: ,,Ik ben wie ik ben, weetjewel.'' Later legt hij uit: ,,Ik doe niet Brood na. Ik ben al vanaf mijn twaalfde fan van Brood. Dan gaat het vanzelf in je eigen performance zitten.'' Bewust of onbewust, Löw speelt volgend jaar ook de hoofdrol in de film over het leven van Brood, Kijken kreng.

,,Nu ik mijn ziel aan de duivel verkoop/ Haalt niets het bij 't spul waar ik mijzelf mee sloop/ 't Is beter dan seks'', zingt Doctor Sax. Het drugsgebruik van Sax – door zijn manager is hij ,,gepositioneerd als troeteljunk'' – wordt in Doop! breed uitgemeten. Tijdens de repetitie leidt dit tot een kort dispuut over de vraag of je na cokegebruik een orgasme kunt hebben. Pluymaekers vertelt dat de acteursgroep niet, maar de band wél coke gebruikt: ,,Tja, dat is rock & roll, hè. Op eigen kosten, hoor.''

Sax is gemodelleerd naar Brood, zijn idealistische vriend Wallie van der Vee heeft onmiskenbaar trekken van Volkert van der G.. Omdat Van der G. moeilijker te herkennen is, zitten er allerlei verwijzingen naar hem in. Zijn grenzeloze liefde voor zijn marmotjes bijvoorbeeld. En zijn acties voor de bedreigde bontdiersoorten. De krakers hebben ook een vermakelijke discussie over het bakken van stronttaarten. In wiens oven moet dat gebeuren?

Hofmeister: ,,Ik wilde aanvankelijk een stuk over Brood maken. Maar iemand die ten onder gaat aan drugs vond ik niet interessant. Toen kwam de moord op Pim Fortuyn. Voor mij betekende dat het einde van het actievoeren. Veel vroegere krakers eindigen, net als Van der G., als dierenactivisten, wat een vorm van escapisme is: ze geloven niet meer in mensen. Ik wilde een voorstelling maken over hoe het activisme ooit als iets moois begon, en hoe het verziekt werd. Ik wilde iets maken over mijn generatie, de verloren generatie die geen oorlog heeft gekend terwijl het nog lang geen vrede was. Werkloosheid, de bom ging vallen; onze slogan was: No Future. Wij waren doemproducten.''

Strijdlied

Hofmeister neemt het op voor de idealisten met `Strijdlied voor jou', een lied voor Volkert van der G.: ,,Dit is een strijdlied voor diegene die de leugen niet gelooft/ Dat je gelukkig kan zijn, blind, stom en doof.'' Bij een opvoering deze zomer in het Vondelpark kon hij meteen ervaren dat zoiets niet helemaal goed valt bij het publiek: ,,Ik voelde hoe bij het publiek de luikjes dicht gingen. Een vrouw stelde zich op voor het podium en begon er doorheen te schreeuwen. Je moet geen held van hem maken, vond ze. Dat was ik ook niet van plan. Laat ik benadrukken dat ik de moord op Fortuyn afkeur. Maar ik kan meevoelen met mensen die de uiterste consequentie van hun idealen nemen. Van der G. heeft een standpunt ingenomen en hij heeft doorgerekend. Hij is volkomen eerlijk en betoont daarom ook geen spijt, terwijl dat voor de samenleving zoveel makkelijker zou zijn. Liever denkt iedereen dat hij gek is of op zijn minst autistisch, dan dat ze onder ogen zien dat hij idealist is.''

Tijdens zijn kraakjaren zat Hofmeister in het bandje De Rollende Zelfdestructie Revue. Daarna was hij tien jaar lang meubelhandelaar op het Waterlooplein. Hiervan betaalde hij zijn eerste twee `volksopera's': De dood en de zee, gebaseerd op Wagners Vliegende Hollander, en De hoer en de moordenaar, over Volkerts voorganger Raskolnikov uit Dostojevski's roman Misdaad en Straf. Hij huurde op eigen kosten het piepkleine theater De Roode Bioscoop af en begon te spelen. Zijn latere werk maakte hij in samenwerking met kleine gesubsidieerde groepen, eerst Els Inc, daarna Courage en nu Zep. Voor De Zesdaagse van St. Jezus aan-het-kruis, over een slopende wielermarathon in een Vlaams stadje in de jaren vijftig, kreeg hij de Aanmoedigingsprijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst.

Bij een krakersopera zou je felle punkmuziek verwachten, maar Hofmeister zocht het in de alternatieve dansmuziek uit de jaren tachtig. Speciaal hiervoor kocht hij een groove box, een soort drumcomputer, om de juiste blikkerige ritmes te bouwen. Daaroverheen legt David Hollestelle zijn gierende, welgeplaatste gitaarakkoorden. ,,The Cure, Joy Divison, New Order, op die lijn moet je denken. Sterk ritmische muziek met een industrieel geluid. Dat soort muziek was de voorloper van de housemuziek. House ontstond niet in chique discotheken, het ontstond op alternatieve feesten in leegstaande fabrieken.''

Hofmeisters eerste muziektheaterstukken waren van epische aard, in de traditie van Brecht en Weill, met een verteller, spelers die zich direct tot het publiek richtten. De muziek was geënt op Europese volksmuziek, of zoals Hofmeister het noemt: Nederlandse wereldmuziek, met een hoofdrol voor accordeon en viool. Met zijn stuk Chris en de kunst van – gebaseerd op het cultboek Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert Pirsig – keerde hij voor het eerst weer terug naar de rockmuziek, in doorgecomponeerde vorm, met een gesloten vertelvorm. Gaat hij nu voortaan geen volksopera's maar rockopera's maken?

Hofmeister: ,,Nee, ik zoek steeds Scholten, Kees muziek die aansluit bij het verhaal. De dood en de zee zat vol zeemansliederen, met vanzelfsprekend veel accordeon. Voor De hoer en de moordenaar heb ik gevarieerd op Russische populaire muziek. In De Zesdaagse probeerde ik het gevoel van de jaren vijftig over te brengen. Chris was een Amerikaanse roadmovie, dus daar paste countryrock bij. Maar daarna heb ik De tweede stem gemaakt, over het zangduo Gert en Hermien. Daar zaten juist weer veel levensliederen in. En in Doop! zit een liefdeslied waarin ik citeer uit `Telkens weer' van Willeke Alberti.

Ik ben altijd een muzikale alleseter geweest. In mijn krakerstijd had ik de tweede elpee van André Hazes, met zijn hit `Een vriend' erop. Dat was in linkse kringen volkomen not done. Achterop de hoes stond een grofkorrelige zwartwitfoto van zijn geboortestraat in de Amsterdamse buurt De Pijp. Dus ik dacht: die man liegt niet.''

Verschrikkelijke tijd

Hofmeister vond de jaren negentig, toen idealisme uit en hedonisme in de mode was, een verschrikkelijke tijd. Doop! is voor hem ook nostalgie. En misschien sluit het ook wel aan bij deze tijd. ,,Je hebt nu weer nieuwe punks en krakers, woningnood, crisis. Twee weken geleden werd in Amsterdam zelfs een huizenspeculant vermoord, Bertus Lüske, een man die met een shovel op krakers liet inrijden. Even raakte onze voorstelling de realiteit. Maar deze crisis wil maar niet goed van de grond komen. En die punkkleding is nu gewoon mode.''

Nostalgie naar het activisme. Toch bevestigt de voorstelling, die eindigt met desillusie en het uiteenvallen van de groep, juist dat de kraakbeweging tot weinig blijvends heeft geleid. Hofmeister: ,,Ik wil de vrijheid van het kraken wel even laten voelen, maar je kunt geen anderhalf uur vrijheid spelen. Er moet wel een conflict in zitten. Bovendien ben ik pessimistisch over iedere stroming. Eigenbelang prevaleert altijd. Daarom zingt Kees Scholten in de voorstelling: Vecht voor jezelf/ niemand vecht voor jou.''

Zelf haakte Hofmeister eigenlijk al af in 1980. Daarna woonde hij nog wel in een kraakpand in de Kinkerbuurt, maar hij nam niet meer deel aan het politieke leven. ,,Na 30 april 1980 werd de kraakwereld hard en sektarisch. De kroningsrellen betekenden het einde van het naïeve kraken. Het begon in de jaren zeventig redelijk geïnspireerd: jongens, we gaan het zélf doen. We krijgen toch niks en het wordt niks met de maatschappij.''

En hoe liep het nu af met de krakers op de kroningsdag, op het Rokin bij de Dam? ,,We twijfelden te lang. ME-busjes kwamen aangesneld en reden in volle vaart op ons in. Ik heb ze over iemand heen zien rijden. De orde was weer hersteld.''

`Doop!' is morgen op het Lowlands Festival te zien (www.lowlands.nl). Première 28 september in Bellevue, Amsterdam. Tournee t/m 10 dec. Inl. (020) 428 7517 of www.zep.nu.