Weerbericht voor kleinburgers

Ook de nieuwe roman van de Deen Jens Christian Grøndahl draait, op een geniale manier, om overspel. En altijd is de symbiose tussen de bedrieger en de bedrogene ingewikkelder dan je denkt.

De Deense schrijver Jens Christian Grøndahl (1959) is geobsedeerd door overspel. Een dankbaar onderwerp voor schrijvers, herkenbaar en alledaags, maar toch altijd weer pijnlijk en soms zelfs gevaarlijk. Iemand kan tenslotte ontsporen door de ontdekking dat er niet meer van hem wordt gehouden, althans niet op de manier die hij voor de enige juiste houdt.

Het gaat Grøndahl niet om de leugens en de dubbele bodems van het overspel, geen minnaars die zich in kasten of onder het bed verstoppen, het gaat hem niet eens om het bedrog, niet dat bedrog in ieder geval. Hij zoomt hardnekkig in op het moment dat de levens van zijn hoofdpersonen uit elkaar beginnen te vallen, overspel is slechts de katalysator. Maar blijkbaar een noodzakelijke katalysator, de enige die Grøndahl de moeite van het beschrijven waard vindt. Als je zijn boeken achter elkaar leest kom je op een gegeven moment uit bij zijn laatste roman Veranderend licht en dan heb je de eerste bladzijde nog niet omgeslagen of je leest al over een bericht op een antwoordapparaat dat de hoofdpersoon, Irene Beckman, nooit had mogen horen. Vervolgens heb je de neiging te verzuchten, wat is dat toch met dat overspel? Is er dan niets anders op deze wereld?

Maar ook: wat bezielt iemand steeds maar weer een wereld te schetsen waarin wij alleen nog door seksueel bedrog worden wakker geschud? Wat betekent het als het uitsluitend slippertjes zijn die Doornroosjes nog wakker kussen?

Om te beginnen moet je dan vaststellen dat al Grøndahls hoofdpersonen, of ze nu advocate, actrice, kunsthistoricus, mislukte schrijver of chirurg zijn, iets gemeen hebben, een milieu.

De verteller in zijn eerste roman Stilte in oktober typeert ergens zijn vrienden, maar hij had het ook kunnen hebben over al Grøndahls personages. Verstopte exemplaren van de academische middenklasse, noemt hij ze, die met kosmopolitische gebaren hun kleinburgerlijke ambities maskeren en hun geblaseerde opmerkingen met Brunello wegspoelen.

Klinkt bekend, al weet ik niet precies wat ik me moet voorstellen bij een kosmopolitisch gebaar.

De achtergrond blijft in al Grøndahls boeken gelijk. Kopenhagen en omstreken aan het eind van de twintigste eeuw, misschien ook het begin van de eenentwintigste. Er zijn uitstapjes naar Portugal, Slovenië, Parijs, veel Parijs, New York, veel New York, maar het centrum blijft Kopenhagen en omstreken.

Als mensen over honderd jaar of later zijn boeken zullen lezen zullen ze waarschijnlijk zeggen, dat was een rare tijd, aan het eind van de twintigste eeuw, daar in Kopenhagen en omstreken.

In Grøndahls roman Indian summer staat: ,,We luisterden naar de radio. Ergens was oorlog.'' Dat vat het aardig samen. Ergens was oorlog, want ergens is altijd wel oorlog, maar voor Grøndahls personages is de geschiedenis alweer een tijd geleden gestopt. Zij vallen buiten de geschiedenis, zij worden er niet meer door aangeraakt, zij zijn er misschien zelfs nooit door aangeraakt. Tot zijn laatste roman is de buitenwereld niet anders dan een oorlog ergens ver weg, een bijzin dus. Of beter gezegd, de buitenwereld, dat zijn de schilderijen van Rothko, de première van een stuk van Strindberg, Beethoven, Mozart. Tijdloze kunst zal ik maar zeggen.

Nu is er niets mis mee om te genieten van schoonheid, integendeel, maar als je bij Grøndahl leest hoe het eraan toegaat dan kun je je niet aan de indruk onttrekken dat we ondanks al dat genieten en al die schoonheid te maken hebben met een ernstig geval van verstopping.

IJdel, gemakzuchtig en verwaand, zo typeert de verteller in Stilte in oktober zijn vrienden.

De charmes van de kleine bourgeoisie – en wat is op de illegalen na geen kleine bourgeoisie meer in Kopenhagen en omstreken? – zijn nog altijd zeer discreet, maar de Brunello is een beetje zuur geworden, vliegen hebben zich op de lamsbouten genesteld. Het culinaire humanisme, zoals Grøndahl het niet ongeestig noemt, is kennelijk op een eindpunt beland. Er zit weinig anders op dan wachten, maar waarop? De oorlog is ver weg en ondanks verdwaalde pogingen hier en daar wil die maar niet dichterbij komen. De carrières zijn gemaakt, niet zo indrukwekkend misschien als ooit gehoopt werd, maar toch heel aardig. Het geld stroomt iedere maand netjes binnen. Kinderen zijn verwekt. En dan?

Ik werd aan Choderlos de Laclos herinnerd en zijn roman in brieven Gevaarlijk spel met de liefde, waarin de hoofdpersonen de tijd doden met het spelen van spelletjes, gezelschapsspelletjes met de liefde. Maar het belangrijkste verschil is dat markiezin De Merteuil en burggraaf De Valmont wisten dat ze spelen, terwijl Grøndahls personages denken dat ze leven. Bovendien is de aristocratie waartoe de burggraaf en de markiezin behoorden uitgestorven, voorzover ze niet vermoord zijn om de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap snel in praktijk te brengen.

Na lezing van Grøndahls werk vraag je je af of de weerberichten voor de kleine bourgeoisie wel zo gunstig zijn.

Daar zit je, met levens die erom smeken gelukkig te zijn, om de eenvoudige reden dat ze, als je het objectief bekijkt, eigenlijk niet anders dan gelukkig kunnen zijn, en die het toch maar niet willen worden.

,,Het woord `gelukkig', klonk verkeerd in mijn mond'', zegt de verteller in Stilte in oktober. ,,Het woord was zowel te groot als te klein, te sidderend enthousiast en tegelijkertijd te banaal en pastelkeurig om mijn leven te beschrijven.''

Te groot en te banaal, misschien is dat wel een juiste definitie voor geluk. Maar dat verlost ons niet van de vraag welke onzichtbare pest er toch heerst in Kopenhagen en omstreken dat het ondanks ideale omstandigheden maar niet wil lukken met dat geluk.

Liefde, het woord kon niet langer worden vermeden, is verworden tot een officieus grondrecht.

Wij menen recht te hebben op liefde alsof zij een wettelijk vastgestelde atv-dag is. Als die uitblijft dan zijn er instanties waar je je kunt beklagen. Ik zie een man voor me met een groot bord voor zijn raam waarop staat: ,,Dag 914. Weer heeft niemand van me gehouden.''

Dreigementen met spoedige zelfmoord als de liefde niet tijdig terugkeert, komen niet alleen in romans voor, maar kunnen ook in het wild worden aangetroffen.

Dan is er nog de jaloezie. Een drama op zich en voor de buitenstaander altijd weer vermakelijk, vooral als de jaloerse medemens een beetje creatief is en het niet bij steunen en zuchten laat.

Maar het kan ook een opluchting zijn, dat er niet meer van je wordt gehouden. Daar zijn we ook weer vanaf en je hoefde er niet eens veel voor te doen.

Het is namelijk een misverstand dat liefde zo fijn en altijd welkom is als het zonnetje in de herfst, en ik spreek niet over de ongewenste aandacht van een stalker. Er zit in liefde een verstikkend element, al menen wij dat eruit gefilterd te hebben met het romantische koffiefilter. Zij maakt ons niet alleen gelukkig, maar bewaakt ons ook nauwkeurig. Daarin lijkt zij op de staat die zijn burgers in de gaten houdt. Waar ben je geweest, waar ga je heen, wanneer kom je terug, wat zit er in je koffer? ,,Ik vraag het omdat ik van je houd.''

Het excuus is nu alleen geen terrorisme maar overspel. Het terrorisme voor mondige burgers met een hypotheek en humanisten zonder noemenswaardige ideologie.

Zoals de staat ons allemaal vragen stelt en ons in de toekomst nog meer vragen zal stellen zelfs zonder dat we dat weten, omdat hij van ons houdt en ons wil beschermen, zo voert de wantrouwende geliefde zijn onderzoek uit.

Dat mogen we nooit vergeten. Omdat er van ons gehouden wordt, wordt er in onze koffers gesnuffeld en nemen ze af en toe een steekproef met de telefoonrekening en overzichten van onze creditcards.

Liefde knijpt het leven langzaam uit de geliefden, net zo langzaam als dat Jezus stierf aan het kruis.

Niet alleen romanschrijvers hebben een intense behoefte aan drama, dat zou ze al te uitzonderlijk maken. Echte mensen, om ze zo maar eens te noemen, delen dat verlangen. Alleen zo kan ik in ieder geval veel van hun keuzes verklaren.

Iedereen wil op een dag kunnen zeggen, dit is mijn huis, dit is mijn straat, dit is mijn werk, dit zijn mijn kinderen, dit is mijn vrouw, dit is mijn land, dit zal ik dus wel zijn.

Maar om dat te kunnen zeggen heb je een verhaal nodig, een verhaal dat duidelijk maakt waarom je in die straat met die kinderen en die vrouw bent beland. Misschien niet eens een verhaal voor anderen, maar iets dat je jezelf kunt vertellen terwijl je op de tram wacht of in de file staat.

Van onze levens maken we verhalen om die levens de schijn van samenhang mee te geven, de illusie dat ze een geheel vormen, dat er een noodzakelijk verband bestaat tussen de eerste en de tweede akte. Zonder die verhalen zouden we misschien niet eens kunnen geloven dat er zoiets bestaat als vrije wil.

En, hoewel niet iedereen dat met me eens zal zijn, voor een verhaal heb je drama nodig.

Daar komt Grøndahl in het spel. Welke variant op het overspel hij ook ten tonele voert, uiteindelijk blijkt de symbiose tussen bedrieger en bedrogene iets ingewikkelder dan je eerst dacht. Om jezelf te bedriegen, stelt Grøndahl namelijk, heb je anderen nodig, om het smeuïger en sappiger te maken, geloofwaardiger.

Zijn obsessie is niet zozeer het overspel, als wel het zelfbedrog, het verhaal dat we van ons leven hebben gemaakt en waarvan we zeggen, kijk, ons leven.

Overspel is in Kopenhagen en omstreken gewoon de plek waar het zelfbedrog even stoom komt afblazen.

Mijn favoriete overspel-roman was Het einde van het spel van Graham Greene, al was het maar omdat daarin de geniale ontdekking wordt gedaan dat overspel met God mogelijk is. Misschien kunnen wij zo ook de voorkeur van Casanova voor nonnetjes verklaren. Een echte man kent maar één concurrent: God.

Greene laat zijn geliefden elkaar vinden met het Duitse bombardement van Londen op de achtergrond. Dat bombardement is meer dan alleen een willekeurig decor. De hoofdpersoon, de schrijver Bendrix, gaat zelfs zover de oorlog een medeplichtige te noemen in zijn affaire. Maar de aanwezigheid van de dood, de dagelijkse routine ervan, kunnen Bendrix' jaloezie, als altijd een product van oververhitte fantasie, en zijn behoefte aan wraak, een product van gekrenkte trots, niet stoppen.

De oorlog woedt voort, en Bendrix fantaseert over wraak op zijn minnares, de vrouw van zijn vriend.

Elke overspel-roman is in wezen pathetisch, want dat is overspel uiteindelijk: honderd procent pathetiek.

Gek genoeg maakt de nabijheid van de dood de pathetiek van de hoofdpersonen in Het einde van het spel draaglijk. Je begrijpt dat hun zelf gebouwde drama slechts een afleidingsmanoeuvre is. Een gezelschapsspel dat verder wordt gespeeld ook met V-1's boven Londen.

Terwijl de slag om Londen wordt geleverd, bedrijft Bendrix de liefde met zijn minnares, hij is mank en dus vrijgesteld van dienst. Tot op een dag een van die V-1's per ongeluk het gebouw raakt waar Bendrix in de armen ligt van het kortstondige geluk. Hij ontsnapt aan de dood maar verliest zijn minnares. Aan God verliest hij haar, want hier verschijnt de Lieve Heer als der Dritte im Bunde, of beter gezegd als vierde. En dat accepteer je volledig.

Greene zorgt bij de lezer voor een kleine revelatie. Wij levenden zijn de dood ontrouw.

Greene zorgt ervoor dat het onderscheid vervaagt tussen het wachten op een telefoontje van God en een telefoontje van een verdwenen geliefde. Dat was hem niet gelukt als die V-1's daar niet boven Londen hadden gevlogen. De nabijheid van de dood maakt overspel met de Lieve Heer geloofwaardig.

Er zitten bedenkelijke kantjes aan de roman, maar het zijn die bedenkelijke kantjes die het boek zo aantrekkelijk maken. Zo suggereert Greene dat een overtuigd atheïst, ene Smythe, blind is voor de liefde van God, omdat hij een grote wijnvlek op zijn gezicht heeft. En pas nadat die wijnvlek op raadselachtige wijze is verdwenen, begint hij langzaam ontvankelijk te worden voor het Opperwezen.

Maar misschien houdt God alleen van mooie mensen, net als de liefde, want God is immers liefde.

Sarah Miles, de minnares van Bendrix, noteert in haar dagboek:

,,Ik wil altijd het dramatische. In mijn verbeelding wacht ik de pijn van Uw kruisnagels, en vierentwintig uur met kaarten en Michelin-gidsen kan ik niet uithouden. Lieve God, ik deug nergens voor. Ik ben nog altijd dezelfde slet en bedriegster. Ruim mij uit de weg.''

En God is zo vriendelijk haar even later inderdaad uit de weg te ruimen.

Zie hier de problemen van Grøndahl:

In Kopenhagen en omstreken aan het eind van de twintigste eeuw is geen God meer die mooie vrouwen tot zich neemt nadat ze daar vriendelijk om hebben gevraagd in hun dagboek.

Als er een God is, is het een vriendelijk huisdier dat het ook niet helpen kan. Als literator heb je aan zo'n God niets.

Het aantal vrouwen dat met smart wacht op de pijn van de kruisnagels van de Lieve Heer is ook aanzienlijk gedaald, maak ik op uit de geïllustreerde bladen voor dames.

In Kopenhagen en omstreken is de dood geen dagelijkse routine. Geen autobom noch V-1 zal je leven verstoren, ook geen buurman met mes die slechts de treurige plicht komt doen die de bloedwraak hem heeft opgelegd.

In dit vacuüm moet Grøndahl opereren, weg van de geschiedenis, weg van God, in zekere zin ook weg van de dood. Alleen Rothko en Mozart zijn er nog en misschien hebben zij voor ons geleden, zeker is dat wij niet voor hen willen lijden.

Het is als in Alice in Wonderland, waar het horloge van de Maartse Haas stil is blijven staan: altijd maar theetijd.

En dat is niet goed te doen, altijd maar theetijd, elke seconde van de dag theetijd.

De personages van Grøndahl zoeken het drama, soms zelfs de dood, zonder zich daarmee van het leven af te wenden. Wat zij in de dood zoeken is het leven, al is het maar voor één seconde.

Als er niemand meer is om te vragen: ,,ruim mij uit de weg'', moet je het zelf doen.

Neem Lucca Montale, hoofdpersoon uit Grøndahls roman Lucca. Na een indrukwekkende reeks mannen te hebben afgewerkt, verlaat zij de man met wie ze een kind heeft en van wie ze hoopte dat hij haar laatste zou zijn, nadat blijkt dat hij een ander heeft, en rijdt zich op de snelweg ten zuiden van Kopenhagen bijna dood. Bijna, ze sterft niet, ze zal alleen de rest van haar leven blind zijn.

Dat klinkt wat vettig, het ligt er lekker dik bovenop. En ik geef het toe, Grøndahl schrijft vaak aan de vettige kant. Dat zit niet in zijn zinnen, maar in het verhaal.

Een vettigheid die we bijvoorbeeld Graham Greene graag vergeven omdat hij bij de klassieken is gaan horen.

Als je kwaad wilt kun je Grøndahls werk afdoen als keukenmeidenromans, eventueel keukenmeidenromans voor intellectuelen, omdat zijn personages zich met zoveel toewijding aan zelfreflectie overgeven.

Soms zijn zijn personages ook niet meer dan sjablonen: een mooie, jonge acteur, een geniale maar geheimzinnige, oudere regisseur voor wie iedereen valt, en zo verder.

Ik vind dat geen groot bezwaar, ik ben zelfs, vrees ik, aan Grøndahl verslaafd, hoewel het mij af en toe ook wat veel wordt.

Als hij in zijn nieuwste roman een vrouw opvoert die blijkt een vader te hebben die haar vader niet is en die vrouw ontdekt dan God betere het dat ze van een joodse celliste afstamt die de oorlog maar ternauwernood heeft overleefd, wordt er een esthetische grens overschreden.

Toen Anna Enquist soortgelijke trucs uithaalde, werd er hard op haar ingehakt. (Misschien hebben we haar onrecht aangedaan.) Het wonder van Grøndahl is dat je met smaak en nieuwsgierigheid blijft doorlezen omdat er genoeg lekkers in de details zit.

Je moet Grøndahl ook niet lezen om dat soort verhaaltjes, over echte vaders en onechte, je leest hem omdat hij goed is, erg goed zelfs, in het laten zien hoe levens uit elkaar spatten. Hoe je je dan voelt, als het verhaal dat je al die jaren aan jezelf hebt verteld niet blijkt te deugen terwijl je dat stiekem allang wist.

Nieuw is dat niet altijd, en dat hoeft ook niet. Bovendien weet Grøndahl het zelf.

In Indian summer schrijft hij: ,,Alsof iedereen niet bekend was met de lacunes van de lege dagen, de onverklaarbare aanvallen van de droefheid in de avond, de loerende angst, de sluimerende begeerte. Alsof het leven een nieuwtje was, enkel omdat hijzelf onlangs zijn portie had gehad aan teleurstellingen, misverstanden en verloren horizonnen.''

Het leven is geen nieuwtje, precies, daarover schrijft Grøndahl, en hoe. De lege dagen, de onverklaarbare droefheid, de blinde en woeste begeerte. Zo blind als Lucca Montale die blind moest worden om te kunnen zien, een cliché, maar goed gedaan. Misschien moet je blind worden om op te kunnen houden met verlangen naar een nieuwe bewaker.

Het eindeloze wachten, ,,de liefde die het niet uitmaakt van wie er wordt gehouden'', zolang er maar geen wijnvlek op zit. De ongelooflijke banaliteit van onze diepste gevoelens en verlangens, en vooral van de liefde zelf natuurlijk. Als je niet ja kunt zeggen, heb je al nee gezegd, staat in Veranderend licht.

Daar ergens bevinden we ons, onmachtig om ja te zeggen, maar niet bereid de consequenties van het nee onder ogen te zien.

Verstopt en gestagneerd.

De pest is alleen nog een vermoeden, een vaag voorgevoel.

Maar eens komt dat horloge van de Maartse Haas weer in beweging. Het kan niet altijd theetijd blijven.

`Veranderend licht' verschijnt half september bij uitgeverij Meulenhoff, prijs €19,50

    • Arnon Grunberg