Verliefd op het woord stil

`Ik heb geen kamer besproken, maar een man met een busje met ,,Hotel Bruin'' erop, houdt vriendelijk een deur open en ik ga stilzwijgend zitten, om vijfhonderd meter verder in een echte Dorpsstraat uit te stappen. Op een stille, witte veranda ga ik in een rieten stoel zitten. Het is gelukt, maar het is wel bijzonder stil zo zonder politiek en Rembrandtplein.'

Met deze woorden overdenkt de schrijver en journalist Jacques Gans op 29 april 1966 zijn aankomst op Vlieland. Gans schreef voor het dagblad De Telegraaf ruim zestig columns over Vlieland in de periode 1966-1971. Regelmatig bezocht hij het eiland, hij werd er vaste gast en disgenoot in Hotel Bruin en deed verslag van zijn belevenissen in de kolommen van zijn krant. Onder de titel Bladstil op Vlieland zijn ze nu gebundeld.

Gans was de zestig net gepasseerd toen hij zijn grote liefde voor Vlieland ontdekte. Als schrijver was hij veelbelovend begonnen met een roman die het innerlijke conflict tussen de journalist en de literator uitbeeldt, het nog steeds weergaloze Liefde en goudvissen (1940). Gans moet een in zichzelf verdeeld man zijn geweest, getuige zowel deze debuutroman als Bladstil op Vlieland. Veelbetekenend heet de eerste impressie dan ook `Het wegkomen uit de stad'. Met moeite onttrekt de hoofdpersoon zich aan de verleidingen van Amsterdam, de drukte, de krant en het politieke commentaar om zich te laven aan de stilte van Vlieland. Trein, boot en bus brengen hem naar de plaats van bestemming.

Voor Gans is Vlieland een wild gebied van ongerepte natuur, mensen die verbonden in een hechte gemeenschap met elkaar leven en de tradities trouw zijn. Droomde de met Gans bevriende E. du Perron van het tropische Tahiti, voor Gans is de winterse grauwheid, de herfstige woestheid of de zomerse lichtheid van het eiland hem meer dan genoeg. Is Gans eenmaal in Hotel Bruin aangekomen, dan lijkt zich een heel andere persoonlijkheid te manifesteren. Hijzelf geeft dat ook toe. Ergens, bijna en passant, erkent hij dat hij lijdt aan de `ziekte van Diderot' en dat betekent: nooit ergens lang kunnen blijven. Aldoor weer de onrust in het lichaam voelen en heen en weer worden geslingerd tussen stad en natuur, rumoer en stilte. Schitterend beschreven is zijn vriendschap met een jager en jutter die midden in de wildernis van het duin woont. Hij spiegelt zich aan J. Slauerhoff die vaak op Vlieland verbleef, hij raakt verliefd op het woord `stil', dat in zowat elke beschouwing voorkomt.

Gans kan prachtig en treffend schrijven over de oude gewoonten van het eiland, zoals het `opkleedfeest' of het `zonschieten' op Koninginnedag. Het allermooist zijn de lyrische passages over de ongereptheid van het eiland met het strand, de zee en duinen.

Jacques Gans heeft, ten onrechte, nooit tot de `geaccepteerde literatuur' behoord, met Bladstil op Vlieland bewijst hij niet alleen dat deze stadsprozaïst heel scherp de natuur kan waarnemen, maar dat hij naar Vlieland werd gedreven door zijn innerlijke tragiek. Hoort hij bij de literatuur, of bij de krant? Past hij bij Amsterdam of bij het eiland? Op elke bladzijde proeft de lezer de balsem die het stille eiland op zijn ziel heeft gelegd.

Jacques Gans: Bladstil op Vlieland. Impressies van een waddeneiland. Met een nawoord door Willem Maas. De Prom, 121 blz. €14,50