Rijstmarkt houdt boeren op de been

Japan is de grootste netto-importeur van voedsel ter wereld. Rijst geniet echter een speciale positie, en met hoge importtarieven worden de eigen boeren beschermd. Toch is de rijstbouw in problemen: de productie blijft groeien terwijl de Japanner steeds minder rijst eet.

De sawa's van Ogi liggen op kliffen met een prachtig uitzicht op de grillig gevormde kustlijn van het eiland Sado. Doordringend klinkt hier het permanente concert van cicaden wier getsjirp de zinderende Japanse zomerhitte markeert. De rijsthalmen wuiven soms als zachte zeewind schaarse verkoeling brengt.

Dit is het beeld van Japans furusato, het geïdealiseerde geboortedorp waar bewoners van krappe flatjes in Tokio van dromen. De furusato is als het Franse idee van la campagne – daar waar het leven nog goed is en de klok langzaam tikt. Zo zit midden in een dorpsstraat een oude boerin met een kist vers fruit rustig te wachten op klandizie. En in een van de vele natuurlijke haventjes tussen de rotsen inspecteert een oude visser zijn oogst aan zeeslakken die hij met een meterslange stok vanuit een klein bootje één voor één uit zee heeft opgehaald.

Dit `ideale Japan' loopt leeg. Er is geen werk. ,,In mijn kinderjaren, zo'n veertig jaar terug, leefden wij thuis van de opbrengst van één hectare rijstveld', zegt boer Kenichiro Aoki. ,,Nu is dat onmogelijk.' Aoki is een bijzonderheid in de gemeente Ogi: hij is voltijd boer. In Ogi zijn slechts acht gezinnen die uitsluitend van het boerenbedrijf leven. De overige 331 boerderijen zijn parttime bedrijven, die soms hun rijst zelfs alleen maar voor eigen gebruik verbouwen. Men leeft van ander werk of zelfs AOW, want de helft van de boeren in Ogi is bejaard. ,,We houden het hoofd boven water', is het enige wat Aoki erover wil zeggen. Jongeren zien er geen brood in en verlaten de twintig gehuchten die gezamenlijk de gemeente Ogi vormen. De bevolking van de gemeente krimpt gestaag met zo'n vijftig man per jaar en telt nu minder dan vierduizend zielen.

Om deze boerenbevolking nog enigszins in stand te houden beschermt de Japanse regering de rijstmarkt. De Japanse consument betaalt afhankelijk van rijstsoort en kwaliteit zo'n 500 yen (krap 5 euro) voor een kilo rijst. Om buitenlandse rijst op hetzelfde prijsniveau te brengen is het importtarief 341 yen per kilo, ofwel 490 procent. Het resultaat is dat er geen importrijst in de winkels verschijnt. Vanwege een internationale overeenkomst importeert de Japanse overheid wel een bepaalde hoeveelheid rijst, maar die gebruikt men bijvoorbeeld voor voedselhulp aan landen in nood.

Aoki dankt zijn bestaan aan deze bescherming. Hij heeft drie hectare aan natte rijstvelden, een boomgaard van anderhalve hectare met dadelpruimen en een kleine kas voor zaadteelt. Zijn bedrijf verder vergroten noemt hij ,,moeilijk', want het bestaan is nu al ,,zwaar'. Overstappen op andere gewassen is ,,onmogelijk' want de prijs die, bijvoorbeeld, tarwe opbrengt is veel lager dan rijst. De markt voor tarwe – geen traditioneel gewas in Japan, maar wel meer en meer geconsumeerd wegens veranderde etensgewoonten – wordt namelijk wél beheerst door goedkope import.

Al bestaat het beeld dat de Japanse markt voor landbouwproducten gesloten is, Japan is de grootste netto-importeur van voedsel ter wereld. Het importeerde voor 57 miljard dollar aan voedsel in 2001 en exporteert vrijwel niets, aldus cijfers van de Wereldhandelsorganisatie. Om de afhankelijkheid van het buitenland aan te tonen gebruikt het Japanse ministerie van Landbouw en Visserij gebruikt het liefst een cijfer gebaseerd op caloriewaarde: 60 procent van alle calorieën die Japanners tot zich nemen, komt uit het buitenland.

In de praktijk betekent dit, aldus cijfers van het ministerie, dat ruwweg de helft van alle geconsumeerde vlees, vis en fruit uit het buitenland komt, dat 89 procent van de tarwe wordt geïmporteerd en 93 procent van alle bonen, waaronder sojabonen die onontbeerlijk zijn voor de Japanse keuken vanwege producten als sojasaus en tofu. De Verenigde Staten zijn de grootste leverancier van al deze producten, uitgezonderd vis. Zo leveren de VS 70 procent van alle sojabonen die Japan importeert, de helft van alle rundvlees en tarwe en zelfs meer dan 80 procent van alle maïs. De VS zijn echter ook het land dat het meest klaagt over de Japanse rijstmarkt. Met hun klachten over Japan ,,zijn de VS irreëel', stelt dan ook Shinji Takatsuka van het ministerie van Landbouw in Tokio. ,,Ze denken alleen aan zichzelf.' Vrijgeven van rijstimport blijft voor de Japanse overheid een taboe.

Ondanks de gesloten markt is de Japanse rijstbouw toch in problemen. De consumptie per hoofd van de bevolking is sinds 1960 gehalveerd omdat mensen meer brood en ander voedsel van buitenlandse oorsprong zijn gaan eten. Daar tegenover staat dat de productie per hectare juist anderhalf maal hoger is. Verder is de markt in Japan zelf de afgelopen jaren wel geliberaliseerd, waardoor boeren nu per kilo rijst een kwart minder ontvangen dan midden jaren negentig. ,,We zijn bezig met hervormingen, zoals het stimuleren van de overgang op andere gewassen en vergroting van boerderijen om concurrerender te worden', zegt ambtenaar Takatsuka. ,,Maar we hebben te maken met specifieke omstandigheden. We hebben in Japan geen grote vlaktes als in Australië of de VS.'

De gemiddelde grootte van de boerderijen in Ogi is precies één hectare, ofwel het stuk grond waar een gezin in de jaren zestig van kon leven, zoals boer Aoki vertelde. De situatie is vergelijkbaar in andere delen van het land en dit is de belangrijkste oorzaak van de grote aantallen parttime boeren in Japan. Maar Aoki is geen voorstander van al te grote boerderijen: ,,Het zou het einde betekenen van de gemeenschap in ons gehucht. De gezamenlijke watervoorziening van de rijstvelden, het gezamenlijk bezit en gebruik van machines, elkaar helpen op het land, het gezamenlijk schoonhouden van de omgeving, zelfs het jaarlijkse festival – dat zou allemaal verdwijnen.'

Rijst is voor Japanners als boer Aoki meer dan alleen handelswaar. ,,Het is de basis van de inrichting van onze gemeenschap en ons leven.' Hij gruwt van het idee dat hij als boer ergens alleen op een grote boerderij zou wonen en de dichtstbijzijnde buurman pas kilometers verderop te vinden zou zijn. Aan Aoki's woning is niet eens te zien dat hij boer is. Hij woont in een gehucht waar alle huizen boven op elkaar staan. Soms is er niet meer dan een tiental centimeter ruimte tussen twee huismuren vrij gelaten. De auto's van de inwoners staan op een parkeerplaats buiten het gehucht waarvandaan een wirwar van smalle steegjes tot de individuele woningen leidt. ,,Het is beter om met meerdere mensen in zo'n gemeenschap te leven, dan ergens alleen', meent Aoki.