Overal liggen Palermo's

Met de bouwfraude zijn de laatste resten van het zelfbeeld van Nederland als onkreukbare natie verkruimeld. Of dat zouden ze in ieder geval moeten zijn, blijkt uit een journalistieke studie.

De twee kernboodschappen van Kreukbaar Nederland, over de bouwfraude in Nederland, zijn helder en onloochenbaar. Het fraudenetwerk dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid vorig jaar voor televisiekijkend Nederland werd blootgelegd is niet uniek voor de bouw, noch is de fraude in de bouw beperkt tot de schaduwboekhouding van het bedrijf Koop Tjuchem die door een klokkenluider naar buiten werd gebracht. De conclusie van de auteurs, de journalisten Joep Dohmen en Jos Verlaan, dat het zelfbeeld van Nederland als onkreukbare natie op de helling moet, is dan ook terecht.

Het merendeel van de afspraken in de schaduwboekhouding gaat weliswaar over de thuisbasis van Koop (Noord- en Zuid-Holland) en de laatste kartelafspraken in de administratie vallen samen met het afwijzen van ontheffingsverzoeken door de NMa in haar oprichtingsjaar 1998. Maar de problemen in de bouwsector beperken zich niet tot die regio en ook niet tot de jaren negentig. Dohmen en Verlaan, die in NRC Handelsblad berichtten over de zaak, illustreren op diverse plaatsen in hun boek dat het geen lokaal gezwel is en dat er bepaald geen einde kwam aan de overtredingen van wet en regelgeving. Het door hen beschreven Amsterdamse `Stora-kartel' (waarbij markten aan een zestal ondernemingen werden toebedeeld `ten behoeve van' vakopleidingen voor allochtonen) kon bijvoorbeeld gewoon blijven bestaan. Het Amsterdamse gemeentebestuur besloot blijkens berichten in deze krant pas vorige week om, hangende de uitkomst van een onderzoek, de leden van het Stora-kartel op de wachtlijst te plaatsen.

Ruwweg de helft van Kreukbaar Nederland beschrijft gedetailleerd gebeurtenissen in Noord-Holland en Limburg waarover de auteurs eerder publiceerden (Dohmen schreef in 1996 De Vriendenrepubliek en Verlaans Chaos aan de Amstel verscheen in 1999). Als het om deze twee beerputten gaat, vertonen Dohmen en Verlaan de journalistieke vasthoudendheid van de spreekwoordelijke terriër (of in de woorden van een burgemeester: een coherent perspectief dat `grenst aan het maniakale'). Desondanks lijken de uitstapjes die zij maken naar andere sectoren, provinciehoofdsteden en buurlanden geen incidenten.

Smeren

Verziekte bestuurlijke en commerciële verhoudingen zijn blijkens Kreukbaar Nederland niet alleen terug te vinden in de Palermo's aan Maas en Amstel. De auteurs maken aannemelijk dat prijs- en marktverdelingsafspraken, smeren, fraude en corruptie structurele kenmerken zijn van de bouwnijverheid.

Hoe moet dat worden veranderd? Zelfonderzoek van bedrijven en versterking van de interne controle zijn daarbij even belangrijk als strafrechtelijke of bestuursrechtelijke opsporing en vervolging. Dohmen en Verlaan hebben gelijk wanneer zij stellen dat het onzinnig is de zwartepiet volledig bij de bouwsector te leggen. Zolang het openbaar bestuur faalt, de inkoop onvoldoende geprofessionaliseerd is, toetreding door buitenlandse bedrijven een formele maar in de praktijk geen reële mogelijkheid is, en wet en regelgeving onvoldoende scherp zijn (en soms zelfs samenspanning in de hand werken), kan herstel van normale concurrentieverhoudingen in de bouw niet worden verwacht. Kortom, de publieke sector moet zijn zaken op orde krijgen.

Het recept voor een gezonde en doelmatige sector is een beleidsformule die niet beperkt blijft tot de bouwsector. Een verziekte bedrijfscultuur is niet alleen te vinden bij bouwers die met hun klanten bordelen afschuimen om het sluiten van lucratieve contracten te smeren. Men vindt die ook in andere, wellicht wat meer gecultiveerde vormen in andere sectoren zoals de commerciële dienstverlening of het bank- en verzekeringswezen, waar de relaties tussen ondernemers, ambtenaren en toezichthouders te intensief zijn, waar de commerciële belangen groot zijn en waar de interne controle straffeloos en vaak op hoog niveau faalt.

Overigens kan herstel van echte concurrentie niet alleen worden bewerkstelligd door hervormingen in het openbaar bestuur. Een minderheid van de gevallen in de schaduwboekhouding van Koop Tjuchem had betrekking op particuliere aanbestedingen, maar daarbij ging het soms wel om grote bedragen. Als zelfs grote, beursgenoteerde ondernemingen met een professioneel inkoopapparaat en onder stringente tucht van de markt slachtoffer worden van kartelafspraken, dan is herstel van de integriteit van de overheid niet voldoende als remedie. Dohmen en Verlaan onderkennen dit overigens ook wel in hun slothoofdstuk, waarin zij de positieve inspanningen van het Limburgse bestuur ten voorbeeld stellen. Het is evident dat een cultuuromslag een aantal jaren nodig heeft om te beklijven en het is onduidelijk of activiteiten echt beëindigd zijn dan wel in het geheim nog doorgaan.

Maar het belangrijkste is dat bouwend Nederland het normaal moet gaan vinden om weer echt te concurreren. Financiële sancties (boetes) en strafrechtelijke consequenties zullen daarbij even onvermijdelijk zijn als stimulerende maatregelen en deregulering. Deze ezel krijgt men alleen met stok én wortel aan het lopen.

Nuttige dienst

Dohmen en Verlaan hebben de maatschappij een dienst bewezen met een leesbaar boek dat binnen zekere grenzen overtuigt. Zij hebben ten opzichte van de professionele toezichthouders het voordeel van de overigens toetsbare ruimere journalistieke vrijheid om schandalen te onthullen. Toezichthouders en de zittende magistratuur hebben meer nodig dan die overtuiging. Het bewijs moet voor hen immers ook wettig zijn voordat in het openbaar ondubbelzinnige conclusies getrokken kunnen worden.

Voor deze bespreker komt daar, als econoom en medewerker van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bij dat de analyse scherp moet zijn, logisch en plausibel. Meestal is de economische intuïtie van Dohmen en Verlaan scherp, bijvoorbeeld wanneer ze beargumenteren dat kostenvergelijking tussen bedrijven weinig zinvol is als de prestaties van een ander kartel als maatstaf worden genomen. Om die reden gaat de vergelijking van de Nederlandse bouwsector met buitenlandse concurrenten dikwijls mank. De hogere doelmatigheid van Nederlandse bouwers die sommigen daarbij opmerken, zegt weinig als ze wordt vergeleken met bijvoorbeeld Duitse betonproducenten of Scandinavische asfaltcentrales waar inmiddels door mededingingsautoriteiten tegen kartelvorming is opgetreden.

Maar soms is de logica in Kreukbaar Nederland ver te zoeken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de manier waarop de auteurs de lakse Nederlandse aanpak van ambtelijke corruptie en fraude proberen te bewijzen. Dohmen en Verlaan baseren zich daarvoor op de lage veroordelingspercentages, maar dat is niet terecht want het is mogelijk dat juridische complicaties of gewoon de onschuld van verdachten daarbij een rol spelen. Hun onvrede over een overtuiging die niet tot juridische consequenties leidt is overigens wel begrijpelijk.

Ook bij het beoordelen van de eigen sector (de journalistiek) is hun gevoel voor humor sterker dan de kracht van het bewijs. Terecht stellen de auteurs zich de vraag of het `schone-handen-imago' van Nederland te wijten zou kunnen zijn aan een pers die minder goed zoekt naar corruptie in overheidsdiensten. Inderdaad een goede vraag, die men zich mag stellen als een maatschappelijk probleem zo lang heeft doorgewoekerd. Gelukkig is er een onverdachte bron, want Dohmen en Verlaan hebben het nagevraagd bij de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Die laat weten dat er `geen reden is om aan te nemen dat journalisten in Nederland lakser zijn, of bereid zijn schandalen toe te dekken'. Helaas, zo'n geruststelling kan men in Nederland van elke beroeps- of branchevereniging krijgen.

Joep Dohmen en Jos Verlaan: Kreukbaar Nederland. Van bouwput tot beerput. Prometheus/NRC Handelsblad, 371 blz. €19,95