Nederland en Irak

ONDERTUSSEN HEEFT IN NEDERLAND het Irak-debat een geheel eigen dimensie gekregen. Dit gebeurde na de mededeling van minister De Hoop Scheffer (Buitenlandse Zaken), gisteren in de Tweede Kamer, dat premier Balkenende vorig jaar september van zijn ambtgenoot Blair op strikt vertrouwelijke basis informatie van de Britse geheime dienst over de dreiging van Iraakse massavernietigingswapens heeft gekregen. Omdat de informatie `for his eyes only' was, had Balkenende zijn collega-ministers niet op de hoogte gesteld.

Daar is op zich niets tegen in te brengen. Maar pijnlijk blijft het natuurlijk wel dat de collega's van Balkenende afgelopen dinsdag uit de Financial Times moesten vernemen dat Blair een lid van de Nederlandse regering op de hoogte had gesteld. Het grote verschil tussen het Britse en het Nederlandse systeem is de mate van bevoegdheden voor de minister-president. Waar deze in Groot-Brittannië haast onbeperkt is, kent de Nederlandse ministerraad het systeem van collegiaal bestuur. Als Balkenende de informatie niet met de vakministers mocht delen, had hij er ook niets aan. Bovendien was het netter geweest als de premier de andere ministers wel op de hoogte had gesteld, zonder de informatie prijs te geven.

Er waren al de nodige vraagtekens te plaatsen bij het Nederlandse besluitvormingsproces over de steunverlening aan de oorlog met Irak. In hoeverre heeft Nederland nog een autonome afweging gemaakt? Er wordt geschermd met rapporten van de eigen nationale inlichtingendiensten AIVD en MIVD. Geheimhouding is inherent aan inlichtingendiensten. Daarom zijn er andere wegen om het parlement te informeren over hun specifieke activiteiten, zoals via de Vaste Kamercommissie waarin de fractievoorzitters van de grote partijen zitting hebben. Maar ook dit weigert het kabinet. Hierdoor wordt onnodig schimmig gedaan en – erger nog – de controlerende taak van het parlement miskend.