Marji mijn vriendin

Marjane Satrapi tekende haar leven in Iran: als kind tijdens de sjah, tijdens de oorlog met Irak, onder het islamitische bewind. De vertaling van het derde deel van haar autobiografie verschijnt in november.

Het is raar, maar na een poosje denk je het toch: dat ze je vriendin is. Dat poppetje met grote ronde ogen, een streepje als mond, zwart haar en soms een hoofddoek die ze afdoet zodra dat kan. Ze was je vriendin al toen je nog klein was, want toen was zij ook nog klein, en toen wist je dat ze eigenlijk later profeet wilde worden. Profeet ja. Nou en? Ze had een heel goed contact met God.

Maar tegen haar ouders zei ze: dokter. Ouders ook blij.

Later wilde ze trouwens geen profeet meer worden, want toen had ze genoeg van God. Dat was nadat haar oom Anouche was geëxecuteerd, de liefste oom van de wereld, die op het laatst `Licht van mijn leven' tegen haar zei toen ze hem opzocht in de gevangenis. In haar mooiste jurk, waar oom geloof ik niet echt op lette. Zo te zien – want je hebt alles gezien, op de plaatjes immers.

Drie boeken lang is ze nu al je vriendin, de kleine Marji of Marjane Satrapi. Ze is geboren in 1969 in Iran, tijdens het bewind van de sjah, die in 1979 verdreven wordt en al spoedig wordt opgevolgd door de islamitische geestelijken die alle na de revolutie vrijgelaten communisten weer inrekenen en executeren. En omdat Marji je vriendin is, begrijp je heel goed dat ze geen zin heeft in die stomme hoofddoekjes – je weet nog hoe we daar lol mee maakten op het schoolplein, we bonden ze aan elkaar en sprongen er touwtje mee, we gebruikten ze als masker of we deden ze gewoon af. Maar later kon dat niet meer. De moeder van Marji werd een keer aangehouden en vernederd door twee van die wachters van de revolutie. Ze was heel erg overstuur toen ze vertelde wat ze zeiden: ,,dat vrouwen als ik erom vroegen om op een straathoek geneukt te worden en dan bij het afval gezet te worden!'' Dus al gauw droeg elke vrouw een hoofddoek en een lange jas. En dankzij Marji weet je hoe je dan toch kan zien wie een progressieve vrouw is en wie een fundamentaliste, en ook bij mannen kun je het zien.

Stropdassen werden een teken van westerse decadentie. Op school waren alle leraressen fundamentalistisch. Ze riepen voortdurend de ouders bij zich om ze streng toe te spreken over hun kinderen die ze niet goed opgevoed vonden. En ze zeiden dreigend dat de meisjes behoorlijk gesluierd moesten zijn, want anders... Marji's vader zei toen nog kribbig tegen zo'n kraai: ,,Als u haren echt zo opwindend vindt, dan mag u ook wel wat aan uw snor doen.''

Maar er was geen houden aan, Marji was voortdurend brutaal en opstandig. Haar ouders stuurden haar naar Oostenrijk toen ze veertien was, naar een Franse school in Wenen, om daar haar opleiding af te maken. Nog steeds kende je haar daar – hoe ze ging experimenteren met drugs (veel te veel), hoe die rotzak van een Markus haar bedroog, hoe God haar toch nog een keertje hielp (met haar eindexamen Frans), hoe verschillend ze dacht over onderwerpen waar haar Oostenrijkse vrienden wat gratis filosofietjes over ten beste gaven, hoe preuts ze was in het begin (die keer dat ze een man in zijn onderbroek zag! En hoe ze toen ineens dacht aan pingpongballetjes!).

Maar uiteindelijk, na haar eindexamen, heeft ze dat hoofddoekje weer om gedaan en ging ze terug naar Teheran. Uit heimwee.

Drie stripboeken lang, onder de titel Persepolis, vertelt Marjane Satrapi een geschiedenis die ongetwijfeld sterk lijkt op haar eigen geschiedenis als meisje. Ze is bezig aan een vierde boek. Nu woont ze in Frankrijk, waar ze tekent en schrijft voor kinderen en volwassenen. De Franstalige opvoeding heeft haar vruchten afgeworpen: ze is de eerste Iraanse striptekenares geworden. Het genre bestaat in Iran eenvoudigweg niet. Haar eerste twee boeken zijn al in vertaling in Nederland uitgebracht, het derde boek komt eraan, en als straks het vierde af is krijgen we dat ook te lezen.

Eigenlijk is het woord `strip' niet zo gelukkig, of misschien wel, en is alleen mijn vooroordeel tegen het woord `strip' niet zo gelukkig. Deze boeken bevatten niet voortdurend tekstballonnen waarin heel groot WAAARGH staat of OEMPFFFF. Er komen geen psychedelische kleuren in voor of helden uit andere werelden, ach, laat ik gewoon zeggen wat ze wel zijn: zwart-witte plaatjes, heel eenvoudig, met tekstvakjes en soms ballonnetjes waarin een autobiografie verteld wordt. Punt. Een opmerkelijke autobiografie uit een land waar we allemaal wel wat van weten maar meestal niet al te veel. Iedereen heeft wel gelezen over de vrouwen die onder hun sluiers spijkerbroeken dragen en sieraden, over de modieuze zonnebrillen en de feestjes binnenshuis, over de afkeer bij grote groepen van de mullahs en hun bewind – en over de angst, de terreur, de martelpraktijken. Maar wat ik bijvoorbeeld nog nooit gezien of gelezen had was dit:

Tijdens de verschrikkelijke oorlog met Irak moeten de meisjes op school (na de revolutie zijn gemengde scholen natuurlijk verboden) in het gelid staande naar treurige muziek luisteren om de oorlogsslachtoffers (de `martelaren') te gedenken en zich daarbij op de borst slaan. Beelden die we allemaal kennen van de televisie. Ach, die arme geïndoctrineerde meisjes denk je dan.

Maar je weet niet dat die meisjes het stomvervelende sessies vinden. En dat sommigen er de spot mee drijven en zich krijsend op de grond werpen, `o martelaren, o martelaren!' gillend, terwijl de anderen de slappe lach hebben.

Zoiets laat een getekend verhaal heel makkelijk zien. Ondanks de werkelijk grote verschrikkingen zijn deze boeken toch met afstand en humor geschreven. Tegelijkertijd komt de tweeslachtige houding tegenover alles goed naar voren, want je kunt wel de spot drijven met de hysterische, verplichte rouw, maar je kunt niet de spot drijven met al die mannen die afgeslacht worden in een onzinnige oorlog, en nog minder met de soms heel jonge jongens die op school wordt wijsgemaakt dat sterven voor het vaderland iets prachtigs is, waar ze de toegang tot het paradijs mee verdienen: `kijk hier is de sleutel'. En dan krijgen ze een sleuteltje van goudkleurig plastic en een maand later worden ze het slagveld opgejaagd en lopen ze op een mijn.

In Persepolis komt de hulp in de huishouding hevig overstuur bij Marji's moeder omdat haar zoon zo'n sleutel heeft gekregen. En bovendien gek is gemaakt met verhalen over heerlijk eten (de winkels zijn tijdens de oorlog vrijwel leeg) en mooie vrouwen en diamanten. ,,Ik heb mijn vijf jongens met pijn en moeite grootgebracht. En nu proberen de heren mijn oudste weg te nemen in ruil voor zo'n sleutel.''

Omdat dit een getekend verhaal is, kunnen harde overgangen gemaakt worden: direct na het plaatje waarop – redelijk abstract – jongens met sleutels om hun nek de lucht in vliegen, zien we Marji en haar vrienden vrolijk rondspringen op een feestje. Marji in haar trui met gaten en een ketting met spijkers om haar nek, want `het was de punktijd'. Op de twee pagina's die daarop volgen lezen we over de bombardementen op Teheran en het vluchten in de kelders, over de patrouilles van de wachters van de revolutie die controleren op alles wat verboden is zoals platen, videocassettes, kaartspellen, schaakspellen, alcohol, feesten. Bij de vader van een vriendinnetje van Marji is huiszoeking gedaan. Hij heeft vijfenzeventig zweepslagen gekregen en meteen daarna zijn we weer op een feestje. Met drank. En daarna wordt onze vriendin met haar ouders en oma aangehouden door `wachters van de revolutie', twee piepjonge jongens die om een of andere reden het recht hebben gekregen om de mensen te beledigen en te straffen.

Dat zijn de voordelen van een getekend verhaal: de kracht, de eenvoud, de afstand, de humor. Toch vraag je je ook wel eens af hoe een leven eruit gaat zien als je het verandert in een stripverhaal. Welk leven dan ook. Al gauw krijgt het iets komisch – en iets ongenuanceerds.

Satrapi weet dat ook wel. Al in deel 1 leest de kleine Marji een stripboek. Over het dialectisch materialisme. We zien wat ze leest, een discussie tussen Marx en Descartes. Descartes zegt: ,,De materiële wereld bestaat niet, maar is enkel het product van onze verbeelding.'' Waarop Marx een steen pakt, vraagt of die dus inderdaad alleen maar verbeelding is en hem vervolgens tegen Descartes' kop gooit. Filosofische discussie eenvoudig beslecht. Satrapi doet daar nog een schepje bovenop. Op het volgende plaatje giechelt ze: ,,Het was grappig om te zien hoe God en Marx op elkaar leken. Misschien dat Marx net wat beter geknipt was.'' En inderdaad zien we twee witharige bebaarde koppen die niet frappant van elkaar verschillen in stripvorm. Punt gemaakt. Wij weten dat zij ook wel weet dat een strip een wat vereenvoudigde vorm is. En vervolgens gebruikt ze die vereenvoudigde vorm uiterst effectief, zo effectief dat je niet wilt dat deze serie nog ophoudt en dat je haar Marji-figuurtje als een vriendin gaat beschouwen. Echt waar.

Omdat wij haar lezers zijn, zijn we zowel de vertrouwelingen van Marji als de onwetenden die door haar voorgelicht moeten worden over haar wereld. Soms staat ze recht in beeld en kijkt ons aan met een geheven hand, ze wil dat wij opletten, ze legt ons iets uit.

Ze weet wel dat wij de Iraanse werkelijkheid niet echt kennen, dat ze ons moet laten zien hoe mensen daar leven en sterven, aan welke gevoelens ze ten prooi zijn, en ook dat die mensen behoorlijk veel op ons lijken, iets dat we wèl weten maar makkelijk steeds weer vergeten. Onder de sluiers en de snorren gaan aardige ouders schuil of krengerige schoolmeisjes. Marji's oma is een allerliefste vrouw die elke ochtend jasmijnbloemen in haar beha doet om lekker te ruiken en die haar borsten 's morgens en 's avonds in koud water doopt om ze stevig te houden – wat mij een sprookje lijkt, maar daarvoor zijn oma's, om ons nietswaardige huismiddeltjes op de mouw te spelden. Nergens zien we dat Marji zoiets ook doet en dat zou ze ons toch wel verteld hebben. Hoewel – ze vertelt ons wel hoe makkelijk ze geschokt is in Oostenrijk door de seksuele vrijheid aldaar, door paartjes die zoenen op feestjes, door haar vriendin die al aan haar negentiende vrijer toe is, ze vertelt hoe ze op een gegeven moment toch zelf ook wel echt iets wil met een jongen, dan maar geen maagd meer en hoe teleurgesteld ze is als hij homoseksueel blijkt. Maar als Markus in beeld komt, met wie ze een echte verhouding heeft, horen we nooit meer wat over seks. Niet dat dat per se nodig is, maar het valt wel op na haar eerdere openhartigheid.

Wij lezers weten ook hoe eenzaam ze vaak is in Oostenrijk. En omdat we haar verleden kennen, zien we ook hoezeer de kinderen om haar heen in een andere wereld leven, hoe verwend ze zijn, hoe onwetend, hoe belachelijk met hun verontwaardiging over van alles en nog wat. Wij zijn zo niet. Wij zijn namelijk vrienden van Marji. Dus wij denken net als zij, als ze met medescholieren in het café zit die praten over hoe laf en bevooroordeeld de mensen zijn, en hoe dat in Tirol nog veel erger moet zijn. ,,Maar ik ben in Tirol geweest en ik vond ze erg aardig'', zegt Marji. ,,Dat komt omdat je een meisje bent'', zegt een van de Oostenrijkse meisjes. ,,Als je een jongen met krulletjes was en een beetje donkerder, dan zouden ze zo niet doen.'' Marji kijkt weer eens met grote ogen (nog groter dan vroeger omdat ze tegenwoordig eyeliner gebruikt) en een klein streepjesmondje en vraagt zich af of deze sprekers wél naast haar zouden zitten als ze een beetje donkere jongen met kroeshaar was geweest. En oh wat zijn wij lezers het met haar eens!

Soms is onze vriendin ook wel eens een beetje onredelijk. Soms vragen we ons ook wel eens af hoe dat nu zit met al die sympathieke communisten daar in Iran. Soms vragen we ons af of haar vader, die we hebben leren kennen als een heel aardige, redelijke, behoorlijke man, niet toch een ietsepietsje laten we maar zeggen `antizionistisch' is – of moeten we zijn opvatting dat de Egyptische president Sadat en de sjah de hele regio hebben verraden door een pact te sluiten met Israël zo niet opvatten? Aan de andere kant wordt anti-Israëlische propaganda wel aan de kaak gesteld en laat Satrapi zien hoe anti-Israëlisch de mullahs zijn: als de mensen na een paar jaar van gesloten grenzen weer paspoorten krijgen, staat daarop: ,,Het is strikt verboden met dit document naar het bezette Palestina te reizen.''

Marji's ouders gaan meteen op reis naar Turkije zodra ze weer weg kunnen. En ze smokkelen heel begeerlijke spulletjes voor haar mee: een spijkerjasje, posters van Iron Maiden en Kim Wilde, Nike's en een button met Michael Jackson erop. Als Marji stoer en westers over straat loopt met dat jasje en die button en die schoenen, een beetje losjes gedragen hoofddoek op haar hoofd, wordt ze bijna ingerekend door wachtsters van de revolutie die ze probeert wijs te maken dat Michael Jackson (die toen nog zwart was, fluistert ze ons terzijde toe) Malcolm X is.

Ach Marji. Ik weet nog hoe die juffrouw op school na de verdrijving van de sjah zei: ,,Kinderen! Scheur de foto van de sjah uit jullie boeken!'' en dat Marji toen fluisterde dat zij anders degene was die vroeger zei dat de sjah door God was uitverkoren. En dat ik toen mijn vinger opstak en riep: ,,Juf! Zij zegt dat God de sjah had uitverkoren!''

Persepolis 1 en 2 verschenen bij uitg. Atlas in de vertaling van Toon Dohmen. Deel 3 verschijnt in november. Prijs per deel €13,50

In Frankrijk verschijnen de boeken bij uitg. l'Association, Parijs