Kunst buiten zicht

Het is nogal ironisch dat het Museumplein in Amsterdam het belangrijkste podium is voor de Uitmarkt, de feestelijke opening van het nieuwe kunstseizoen. Ironisch, omdat de twee musea waaraan het plein zijn naam dankt, het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum, uitgerekend in de loop van het komende kunstseizoen hun deuren grotendeels sluiten. Voor vele jaren. Het Rijksmuseum blijft weliswaar in de Philipsvleugel de Nachtwacht en driehonderd andere 17de-eeuwse meesterwerken tentoonstellen, het 19de-eeuwse hoofdgebouw gaat in de tweede helft van december dicht. Dan krijgt het Spaanse architectenduo Cruz en Ortiz de ruimte om in de neogotische cultuurtempel nieuw licht en helderheid te brengen. Om dit elan te bereiken zullen de beide overkapte binnenhoven weer worden opengemaakt. Het Nieuwe Rijksmuseum moet in de zomer van 2008 gereed zijn.

Of in dezelfde zomer het publiek ook door het Nieuwe Stedelijk Museum kan dwalen, blijft voorlopig de grote vraag. Het enig overgebleven houvast voor de toekomst van het Stedelijk is een Advies. Een klemmend en ultimatief advies van een gezaghebbende commissie, dus wie weet. In het advies staat ook een tijdspanne. Volgt `Amsterdam' de aanbevelingen, dan zou er in de loop van 2007 uitzicht op het Nieuwe Stedelijke Museum kunnen zijn.

De sluiting van het oude Stedelijk staat wel definitief vast, 31 december 2003. Ook de twee lopende tentoonstellingen zijn tot het eind van het jaar geprogrammeerd. Dat betekent nog eens vier maanden het meesterlijk afscheidssaluut van Rudi Fuchs, Tot zo ver. Daarentegen mist de tentoonstelling in de benedenzalen, Revolution in the Air, de Sixties en het Stedelijk, de kracht om het nog eens vier maanden uit te houden.

Gelukkig is aan het slot van de Sixties het krachtigste wapen tegen de afstomping ingezet, The Beanery van Edward Kienholz. Deze surrealistische, in een container ingerichte kroeg uit 1965, waar de bezoekershoofden zijn vervangen door klokken die allemaal op tien over tien staan, is alles tegelijk: geëngageerd, geestig, luguber, aangrijpend en absurd. Het geniaalste kunstwerk dat de Pop Art heeft voortgebracht.

The Beanery staat opgesteld in de ruimte naast het restaurant van het Stedelijk. En het restaurant grenst weer aan de bibliotheek. Restaurant en bibliotheek hebben een zwevend gebied gemeenschappelijk, een smalle tussenverdieping die hoog langs de lange restaurantwand loopt tegenover de serre, het terras en de tuin. Naast de vrolijke muurschildering van Karel Appel op een van de zijwanden vormt de uitgestrekte boekenkast op de smalle entresol tot aan het plafond het meest sfeerbepalende element in deze lichte ruimte. Eenvoudige, naturel houten kasten, die hun aristocratie en kleur ontlenen aan de inhoud: kunstboeken. Het balustradehekje is niet meer dan een dunne, zwarte lijst. Alles rechttoe, rechtaan. De scheidingswand tussen bibliotheek en restaurant bestaat uit blank triplex. Verder: witgesausde wanden en een paar helderrood geverfde muurdelen. Zo zag het ideale museum voor moderne kunst er uit in de ogen van Willem Sandberg, avant-garde minnend directeur van 1945 tot 1962. En zo bleef het Stedelijk Museum in grote trekken onder Sandbergs opvolgers Edy de Wilde, Wim Beeren en ten slotte, van 1993 tot 1 januari 2003, Rudi Fuchs.

Wie de komende maanden het Stedelijk bezoekt, treft het museum in zwanenzang aan. De eerste grote schok is dat alle boeken zijn verdwenen. Samen met het grootste deel van het personeel is de fameuze kunstbibliotheek – 130.000 boeken – verhuisd naar de Deccaweg, een kilometer lopen van station Sloterdijk. Hartverscheurend is de holle blik van de lege, nu een beetje scheefgezakte boekenkasten die zoveel vooruitstrevende kunstgeschiedenis hebben meegemaakt. In het restaurant hebben de lichtspotjes aan het plafond hun stralingsveld gemarkeerd met bruine schroeivlekken. In het Stedelijk Museum is de erfenis van Sandbergs progressieve geest nu echt definitief gebroken.In het gebouw, niet in de collectie.

De krankzinnige samenloop van omstandigheden waardoor de twee belangrijkste musea in het culturele hart van Amsterdam grotendeels gelijktijdig zijn uitgeschakeld, betekent dat de kunst van de 18de, 19de en 20ste eeuw gedurende jaren in de hoofdstad buiten zicht dreigt te raken. Voor de zeventiende eeuw heeft het Rijksmuseum voorzieningen getroffen. De Philipsvleugel biedt met honderden stukken voldoende soelaas en de transferverslaafde aan de Gouden Eeuw kan op Schiphol terecht bij de dependance van het Rijksmuseum. Gegarandeerd permanent te zien: tien topwerken.

De 19de eeuw wordt in Amsterdam gedeeld door het Stedelijk en het Van Goghmuseum. Met de tentoonstelling Stad & Land, deze zomer in de Nieuwe Kerk, heeft het Stedelijk Museum de rijkdom van de 19de-eeuwse kunst in het depot laten zien. Het zou onverantwoordelijk zijn om deze schat weer jarenlang in de doofpot te stoppen.

Ten slotte de 20ste eeuw. Als het Stedelijk Museum wegvalt is de kunst van de 20ste eeuw in Amsterdam een zielig weeskind geworden. Weeskinderen moeten worden opgevangen. Ook dat heeft de Commissie Toekomst Stedelijk Museum tot haar adviestaken gerekend. In de grafische voorstelling die de kortste wegen schetst naar de verwezenlijking van renovatie en nieuwbouw van het Stedelijk, staat in het vakje Mei 2004 `Openstelling tijdelijke locaties'. Volgens hetzelfde schema moet met de voorbereiding van de tijdelijke openstelling worden begonnen in de maand september van 2003. Die maand begint aanstaande maandag, net als het nieuwe kunstseizoen. Een uitgelezen moment voor Amsterdam om het Advies te omhelzen.

    • Max van Rooy