Koester de publieke taak

Wanneer de overheid besluit een taak te privatiseren kan dat leiden tot minder kwaliteit en een hogere prijs. Dat is niet vreemd of verwerpelijk, dat hoort zo. Maar het is niet erg waarschijnlijk dat een land daarvoor kiest, meent Charles den Tex.

Of de aanleiding terecht is, is niet altijd duidelijk maar wél duidelijk is, is dat de gedachte dat publieke taken door de overheid kunnen worden verzelfstandigd en aan marktpartijen kunnen worden overgedragen, onder druk staat. De rekenfouten van Schiphol scheppen geen vertrouwen. Het recente falen van het energienet in delen van de Verenigde Staten en Canada doet veel mensen huiveren voor de toekomst, wanneer ook in Europa de privatisering van de energiebranche zal zijn afgerond.

Toch is juist dat voorbeeld ongelukkig, want het lijkt erop dat de omvang van de black-out vooral te wijten was aan de geautomatiseerde besturing van het energienet, zoals bij een dalende beurs automatisch in werking tredende verkoopprogramma's van institutionele beleggers de ellende kunnen verergeren. Die geautomatiseerde besturing was er in alle gevallen geweest, of het beheer nu in private handen is, in handen van een koepel of in overheidshanden.

De vraag blijft echter staan: is het wel of niet verstandig om publieke taken aan de markt toe te vertrouwen?

Dat geldt niet alleen voor de energievoorziening, maar bijvoorbeeld ook voor het openbaar vervoer, de drinkwatervoorziening en de gezondheidszorg. Het lastige van die vraag is dat het antwoord vaak blijft hangen in de tegenstelling tussen de liberale invalshoek (markt betekent concurrentie, betere efficiency en lagere kosten) en de sociale (publieke taak is voor iedereen, markt is moeilijk te beheersen en werkt tweedeling in de hand).

Het antwoord op de vraag kan beter worden gezocht in de verschillende uitgangspunten die markt en overheid hanteren. Voor een bedrijf is de continuïteit van het bedrijf zelf alles bepalend, voor de overheid gaat het om de continuïteit van de taak. De marktpartij zal alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat het bedrijf overleeft, winst maakt en in de toekomst vooruit kan. Als daarvoor de oorspronkelijke doelstelling op de schop moet, zal dat onherroepelijk gebeuren.

Goed voorbeeld daarvan is het Franse Vivendi, waar de oorspronkelijke water- en milieutaken volstrekt ondergeschikt werden aan de mediabelangen van het bedrijf.

De publieke taak, zoals die door de overheid wordt uitgevoerd, is meestal levensbedreigend voor elke marktpartij, omdat alles draait om de continuïteit van de taak. De marktpartij zal daarom altijd verplicht zijn tot onmiddellijke maatregelen die diep ingrijpen in de kwaliteit van de taak.

Eerst moeten de kosten rigoureus omlaag. Er wordt gesneden daar waar het meeste te halen valt: personeel, onderhoud en controle. Meestal in die volgorde.

Dat is niet slecht van zo'n bedrijf, integendeel, het zou een slecht bedrijf zijn als het dat niet deed. Het is alleen slecht voor de taak. Als deze bezuinigingsoperatie niet het gewenste resultaat levert, volgt een prijsverhoging, een volgende ronde bezuinigingen, nog een prijsverhoging, daarna een investeringsstop (zoals nu reeds aangekondigd door de Nederlandse energiebranche) en tenslotte besluit de raad van bestuur van het getergde bedrijf te diversifiëren naar een andere, winstgevende, branche.

En wel omdat de continuïteit van het bedrijf dat vereist. De continuïteit van de taak wordt definitief als uitgangspunt verlaten, anders gaat het bedrijf failliet en is er helemaal geen taak meer. Het is dus logisch dat het gebeurt.

De overheid heeft als streven de publieke taak zo goed mogelijk uit te voeren voor iedereen tegen een sociaal acceptabele prijs. Dit is tegengesteld aan de manier waarop een marktpartij werkt. Op de massamarkt wordt gewerkt met zo laag mogelijke kwaliteit tegen de hoogst mogelijke prijs. De marge, hoe miniem ook, is van levensbelang. Hoge kwaliteit is altijd gekoppeld aan een hoge prijs en is daarmee voorbestemd voor niches, voor kleine segmenten van de markt.

Concurrentie leidt niet tot verbetering van de taak, maar tot verbetering van de efficiency. Dat is iets heel anders. En efficiency leidt niet tot prijsverlaging, maar tot kostenbesparing en winstverbetering. Prijsverlaging treedt op wanneer een groot bedrijf kleinere partijen uit de markt wil drukken, of wanneer kleinere partijen marktaandeel van een grotere willen afsnoepen.

Dergelijke prijsverlagingen zijn altijd tijdelijk, tot een nieuwe verdeling van de markt is gevonden. Prijsverlaging speelt ook wanneer een nieuwe technologie de sprong maakt van een nichemarkt naar de massamarkt. Een dergelijke sprong bestaat niet voor een van oorsprong publieke taak.

De technologie is niet nieuw en de publieke taak zit al in de grootste markt die te bedenken valt. Na privatisering kan men slechts één kant op: naar het buitenland. Het fusiedenken en overnamedromen tieren welig. Tegelijkertijd zal door het efficiencystreven van het bedrijf de kwaliteit van de taak achteruit gaan. Bovendien leidt verzelfstandiging en de daaruit voortvloeiende concurrentie onherroepelijk tot de behoefte aan profilering. Kosten die worden bezuinigd op personeel en controle, worden opgevoerd in communicatie en marketing. Niet omdat het bedrijf iets verkeerd doet, integendeel, het bedrijf móet wel.

Voor elke publieke taak kan de overheid besluiten dat deze niet meer publiek hoeft te zijn of zelfs niet meer publiek zou moeten zijn. Dat kan. Elk kabinet heeft niet alleen het recht zich daarover te buigen, maar ook de plicht, want het is een vraag die behoort tot de kern van het landsbestuur.

Telkens wanneer de overheid besluit tot privatisering van een taak, moet zij de burgers terzake eerlijk voorlichten. Privatisering van de energiesector zal leiden tot een mindere kwaliteitsgarantie en een mindere continuïteitsgarantie tegen een hoogstwaarschijnlijk oplopende prijs.

Privatisering van de waterbedrijven zal tot exact hetzelfde leiden, met dien verstande dat de te verwachten prijsstijging daar nog vele malen hoger zal uitvallen. Privatisering van Schiphol leidt tot meer overlast en hogere kosten. Privatisering van het openbaar vervoer leidt tot lagere kwaliteit, minder continuïteit en een hogere prijs. Dat is niet vreemd of verwerpelijk. Dat hoort zo.

Het is mogelijk dat een land daarvoor kiest, maar erg waarschijnlijk is het niet. Het gebeurt alleen wanneer wordt geschermd met oneigenlijke argumenten, zoals het alom gehate gebrek aan efficiency van overheidsdiensten. Dat gebrek is reëel en elke overheid doet er goed aan te proberen die efficiency te verbeteren, maar altijd binnen het kader van de publieke taak, waarbij de continuïteit van de taak voorop staat.

Charles den Tex is schrijver/adviseur.