Hij ging bibberend de mast in

Georg Naporra was een `gewone' matroos van de VOC tijdens de vaak grimmige en gewelddadige achttiende eeuw. Bijzonder is dat hij zijn levensverhaal op schrift stelde. In een boeiende `biografie in context' wordt een wereld gereconstrueerd die ons vreemd is geworden.

Begin december 1793 stierf Georg Naporra, 62 jaar oud, koopman te Dantzig, aan `Bauch-wassersucht'. Hij werd op 3 december in de Sankt-Barbara begraven. Na de dood van zijn vrouw in 1823 bestond er niemand meer die hem enigszins had gekend, na het ruimen van zijn graf verdween de laatste herinnering. Georg Naporra was geen staatsman of filosoof, hij was `zomaar iemand', zoals er miljoenen Europeanen leven en geleefd hebben. Hij verschilde echter in één opzicht van de grote massa: hij kon schrijven, levendig, beeldend, gedetailleerd. In zijn nalatenschap bevond zich een minutieus levensverslag dat hij al op zijn vijfentwintigste opstelde, in 1757. Een deel daarvan is spoorloos, maar het eerste deel, ruim vijfhonderd pagina's, belandde via duistere wegen in het Maritiem Museum Rotterdam. Daar bleef het bijna tachtig jaar liggen totdat Roelof van Gelder, historicus en redacteur van NRC Handelsblad, het aantrof, in een leren kaftje, onder de titel Ostindische reise. Tussen de moeilijk leesbare gothische letters vond hij Georg Naporra terug. Hij sloot vriendschap met hem, zoals hij schrijft. En in Naporra's omweg brengt hij deze exemplarische achttiende-eeuwer op een fascinerende manier weer tot leven.

`Voor het grootste deel van de mensheid geldt dat ze uit ,,zomaar iemanden'' bestaat', schrijft Van Gelder, `maar slechts zelden krijgt een historicus de kans om zo'n individu van twee-, drie-, of vierhonderd jaar geleden in zijn leven te volgen.' Naporra was een boerenzoon uit een onooglijk dorpje achterin Oost-Pruisen. Zijn vader stuurde hem als leerjongen naar een koopman in Koningsbergen en nadat hij met ruzie was vertrokken diende hij een jaar als lakei bij een officiersechtpaar. Eenmaal zag hij, onderweg vanaf Koningsbergen, op een tegemoetrijdende kar een man zitten die hij, `met bonkend hart van vreugde', als zijn vader herkende. Maar de wagen van zijn baas reed onverbiddelijk door, hij zou zijn vader nooit meer zien. Later hielp hij een oude vriend bij het opzetten van een eigen zaak, en toen dat misliep vertrok hij naar Amsterdam om aan te monsteren op een schip van de VOC. Na vier jaar `in de Oost' zou hij uiteindelijk heelhuids terugkeren naar Europa.

Georg Naporra was, in de woorden van Van Gelder, `een voorzichtige vrijbuiter' die simpelweg moest overleven. Er bestaat geen portret van hem, maar uit zijn levensverhaal vallen wel een paar eigenschappen af te leiden. Hij was sterk en goed gebouwd. Op het schip wordt hij regelmatig ingezet bij zware klussen, en zelden of nooit is hij ziek. Hij had waarschijnlijk goede manieren en een prettig voorkomen, en hij wist op vertrouwelijke voet om te gaan met mensen uit een hogere stand. Hij dineert – vrij uitzonderlijk voor een boerenzoon – bij een burgemeester in Marienburg, krijgt muziekles van een paar baronessen en tijdens zijn reis naar Oost-Indië raakt hij, als simpele matroos, al snel bevriend met de eerste stuurman. Ook het manuscript wijst op een zekere eruditie. Geregeld gebruikt Naporra Franse woorden, die hij hij niet in gothische maar in Romeinse letters opschrijft.

Ik maak mijn levensbeschrijving, schrijft Georg Naporra in zijn inleiding, in de eerste plaats voor mijzelf, om me te herinneren `wie es mir in meinem Leben gegangen hat'. Hij deed het ook om zich te verbazen over de wonderlijke leiding Gods in zijn leven – een gebruikelijk motief in de piëtistische kringen waaruit hij voortkwam – en tenslotte schreef hij voor zijn verwanten en zijn vrienden. Vermoedelijk is zijn verhaal ooit begonnen als reisjournaal – de exactheid van allerlei gegevens wijst erop dat hij kon teruggrijpen op eerdere aantekeningen en dagboekachtige notities. Die details fungeerden echter ook als bewijs dat hij de absolute waarheid sprak. Tot tweemaal toe schrijft Naporra: `Niemand mag mijn relaas over leven en reis in twijfel trekken, of het allemaal wel zo gedaan is' – en vervolgens daagt hij zijn lezers als het ware uit om zijn leven na te reizen, als een ultieme controle.

En het klopt. `Nergens', schrijft Roelof van Gelder, `heb ik hem op onjuistheden kunnen betrappen.' De beschrijving van het bezit van vader Naporra – land, vee, huizen – komt bijvoorbeeld exact overeen met de kadastrale opgaven in zijn geboortedorp Brosowen, nu Brzozowo. De aankomst van schipper Marten Duyf met wie hij van Dantzig naar Amsterdam voer – 6 juni 1752 – is keurig terug te vinden in de Amsterdamse Saturdaegse Courant van 10 juni 1752. Alles wat Naporra schrijft over zijn tocht met De Drie Papegaaien naar Oost-Indië, het wedervaren van zijn medeschepelingen en ook van hemzelf, conflicten, straffen, voedselproblemen, incidenten tussen schepen die onder verschillende vlaggen voeren, het is vrijwel allemaal te traceren in de archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie. Het enige, en essentiële, verschil is dat Georg Naporra het allemaal werkelijk meemaakte, en dat de lezer via deze eenvoudige matroos een ogenblik door alle droge feiten en getallen heen kan kijken.

Uit VOC-archiefstukken valt bijvoorbeeld enkel op te maken dat De Drie Papegaaien op 5 oktober 1752 korte tijd vastzat op een Vlaamse zandbank vanwege een foute koers. Naporra beschrijft wat er werkelijk gebeurde: de eeuwig dronken schipper Bastiaan Verdoes, de totale chaos na de schok, het `verbazingwekkende' geschreeuw, gehuil en gejammer van de bemanning die zichzelf verloren waande, de heimelijke hoop bij anderen dat ze zo mogelijk van hun `slavernij' verlost zouden worden. De VOC-logboeken maken op 15 december melding van een orkaan. Maar Naporra schrijft wat hij voelde toen hij die nacht in de vliegende wind de mast in moest om een kapot bramzeil vast te maken: `Mijn ledematen sidderden van angst toen ik naar boven klom.' In de VOC-stukken werd exact geregistreerd wat er bij De Drie Papegaaien allemaal aan boord ging om de 365 bemanningsleden negen maanden lang in leven te houden – onder meer zestig levende schapen, honderd varkens, honderd ganzen en tweehonderd eenden – en daar blijft het bij. Naporra en Van Gelder beschrijven het werkelijke leven op zo'n van boven tot onder volgepropt schip waar altijd zieken in hun kribben lagen te rotten: een permanente lucht van teer, zweet, ongewassen lichamen, vuile kleren, poep, urine en braaksel. `Dit mengsel brak ook de meest geharde zeeman op. Zelfs bovendeks kon de stank de mannen de adem benemen.'

Wat Naporra's omweg bovenal zo fascinerend maakt is dat niets, maar dan ook niets is bedacht of geromantiseerd. Het is pure non-fictie. Roelof van Gelder heeft inderdaad de uitdaging van zijn achttiende-eeuwse vriend aangenomen, hij is hem werkelijk nagereisd, in tientallen archieven, vanaf Brosowen, via Dantzig en Amsterdam, tot Sri Lanka toe. Naporra's levensverhaal is zo, in al zijn nuchterheid, ook een monumentaal stuk archiefwerk geworden. Zelf noemt Van Gelder zijn boek een `biografie in context', een boek waarin hij probeert de hoofdpersoon begrijpelijk te maken binnen de maatschappij waarin hij leefde. Dat betekent dat hij door het hele boek heen de geschiedenis van steden en landstreken heeft gevlochten (met name de hoofdstukken over Oost-Pruisen en het ontstaan van de Pruisische staat zijn buitengewoon interessant) maar dat hij ook de sporen is nagegaan van de tientallen mannen en vrouwen die Naporra ontmoette. `Ook zij hebben elk hun leven geleid', schrijft hij, `Ook zij hadden allen hun achtergronden en een onzeker levensperspectief en leren ons iets over de traagheid en de onzekerheid van het bestaan in de achttiende eeuw.'

Dankzij het samenwerkingsverband van de vrienden Naporra en Van Gelder is zo een uniek portret van de achttiende eeuw ontstaan, in het bijzonder van Oost-Pruisen en de VOC, een geschiedenis in ogenschijnlijke fragmenten, bijeengehouden door de Werdegang van één mens: Georg Naporra. Soms bleek Naporra gebeurtenissen te hebben meegemaakt die ook door anderen zijn beschreven. Een incident op de Kaapverdische Eilanden tussen De Drie Papagaaien en een Pruisisch schip – schipper Verdoes had niet de vereiste saluutschoten gegeven – staat bijvoorbeeld eveneens vermeld in het reisverslag van de Pruisische opperkoopman Jean-François Michel. Beiden geven een levendige beschrijving van het bestaan op dit barre, hete stipje middenin de Atlantische Oceaan, waar de Portugezen bijna ieder jaar een nieuwe gouverneur of bisschop heen stuurden omdat de vorige alweer overleden was.

De constructie van deze `biografie in context' heeft één nadeel: als lezer vind je weinig terug van Naporra zelf, van zijn stem, van zijn persoonlijke manier van schrijven. Roelof van Gelder vertelt zijn eigen verhaal, om dat van Naporra heengeschreven, en dat doet hij zeer ingenieus. De vervlechting tussen hem en Naporra is echter zo innig dat je soms de neiging hebt om te roepen: laat Naporra nu zelf aan het woord, uit de wèl gebruikte citaten blijkt het een vrolijke schrijver te zijn, waarom mogen wij, lezers, niet nader kennis met hem maken? Dat houdt Van Gelder af, het lijkt wel of hij Naporra een beetje voor zichzelf wil bewaren – maar, eerlijk is eerlijk, het zijn de enige zwakke momenten in dit verder imposante historische werk.

Het grote voordeel van Van Gelder als rustige gids en verteller is de continuïteit. Naporra's manuscript breekt af op een aprildag in 1754, midden in de Indische Oceaan – het vervolg is, zoals gezegd, verdwenen. Dankzij Van Gelders voortreffelijke archiefwerk loopt zijn levensverhaal echter rustig door. Het blijkt dat over een willekeurige achttiende-eeuwer soms nog betrekkelijk veel valt terug te vinden, vooral als hij in dienst was de VOC. Na aankomst in Batavia was Naporra getuige van een kwestie rond een soldaat en een matroos die op De Drie Papagaaien `sodomitische zonden' hadden bedreven, daarna maakte hij een reis naar Gamron in Perzië – de VOC draaide voor een groot deel op handel tússen de verschillende overzeese `factorijen' – en in 1756 reisde hij op Het Kasteel van Tilburg weer terug naar Europa. Hij maakte nog mee dat het zusterschip Nieuw Vijvervreugd bij Schotland in brand vloog en ontplofte – De Amsterdamsche Courant nam een ooggetuigeverslag op vanaf Naporra's schip – en tenslotte vond de auteur Naporra's handtekening weer terug in Amsterdam, op 9 september 1756 neergezet bij het ophalen van zijn laatste soldij in het Oost-Indisch Huis.

Daarna werden de sporen schaarser, maar voldoende om een paar grote lijnen te reconstrueren. Vermoedelijk is Naporra eind 1756 naar Dantzig gereisd. Hij kon niet terug naar zijn geliefde Koningsbergen omdat hij daar direct bij het Pruisische leger zou worden ingelijfd – de Zevenjarige Oorlog was net begonnen. De VOC had hem 279 gulden en 19 stuivers uitbetaald, hij had een goed zakeninstinct en dankzij bescheiden privé-handeltjes is hij vermoedelijk met minimaal 400 à 500 gulden – twee tot drie jaarlonen – zijn nieuwe leven begonnen. In 1765 duikt Georg Naporra voor het eerst op in de Dantziger archieven, als hij als koopman het burgerrecht van de stad verwerft. Een jaar later trouwt hij met de dochter van een gegoede familie, de Grischows. Gezien de standsverschillen is dat een teken dat hij in die tien jaar een gefortuneerd man is geworden – iets wat trouwens ook blijkt uit het huis dat hij betrok. Bij de volkstelling van 1770 had hij twee kinderen en twee inwonende personeelsleden. Daarna worden de berichten schaars.

Naporra's levensverhaal kent een aantal duidelijke hoogtepunten, kwesties die levendig worden uitgesponnen en die in zijn ogen van vitaal belang waren: het behoud van zijn waardigheid als hij al leerjongen ruzie krijgt met zijn koopman/baas, de `hemelse genade' toen een schip waarop hij bijna was meegevaren verging, een paar avonturenverhalen. Hij noemt ook enkele misstappen: een grotendeels onleesbaar gemaakt bezoek aan een Amsterdams hoerhuis en natuurlijk de Oost-Indiëreis zelf, een grote fout waarvoor hij keer op keer waarschuwt. De reis is gevaarlijk, het werk hard en het voedsel afschuwelijk.

In onze ogen vallen, twee en een halve eeuw later, nog andere zaken op. Het is vaker opgemerkt dat onze indeling in tijdvakken soms buitengewoon kunstmatig is, en dat blijkt opnieuw uit Naporra's leven. Veel verhoudingen – bijvoorbeeld die tussen zijn vader, hemzelf als leerjongen en zijn Koningsbergse patroon – doen nog bijna middeleeuws aan. Opvallend is ook het immense belang dat wordt gehecht aan bepaalde rituelen en aan de reputatie van families en zelfs vriendengroepen. Aan de andere kant zien we in allerlei details het moderne militaristische Pruisen al sterk in opkomst. Tegelijk is de natiestaat, die geen eeuw later overal de toon zou zetten, in Naporra's wereld nog nauwelijks aanwezig. Naporra was Pruisisch onderdaan, maar de taal van zijn jeugd was een Pools dialect. Hij en zijn lotgenoten trokken zonder reispapieren kriskras door de wereld, ze maakten zich verstaanbaar in een algemeen soort koeter-Duits, heel Noord-Europa was hun levensruimte. In de Amsterdamse koopmansbeurs ontmoetten ze hun Landsleute bij zuilen waarop geen staten waren aangegeven maar buitenlandse handelssteden. Hun medeschepelingen kwamen voor het overgrote deel niet uit de Republiek, maar uit Duitsland, Scandinavië, de Zuidelijke Nederlanden en Polen. Hun sociale identiteit, hun rang en hun stad telden, niet hun land.

Wat echter het meeste bijblijft is het gevoel van totale afstand en vervreemding dat de hedendaagse lezer gaandeweg bekruipt. Dantzig, Amsterdam, de VOC, die hele wereld van de gewone matroos Georg Naporra, het ligt ver van de rustieke beelden die we vaak hebben van de achttiende eeuw. Het is een trage, grimmige en harde planeet die we hier betreden. Iedereen slaat en geselt, altijd: kooplieden slaan hun leerjongens, schippers hun schepelingen, officieren hun soldaten, zodat bij een exercitie-terrein de hele dag het gevloek en het gekerm van de rekruten te horen is. De Drie Papagaaien wordt op Texel uitgezwaaid door twee bewindvoerders van de VOC, comfortabel gehuisvest in de kajuit van het Compagnie-jacht. Hun rekening voor dit korte dienstreisje: 2.773 gulden, een bedrag waarvoor Naporra 25 jaar zou moeten werken. Het schip arriveert bijna driekwart jaar later in Batavia: op het tussendek liggen tientallen zuchtende, kermende en huilende mannen te creperen, de bootsmansmaat Pieter Christiaan Kraak, beschuldigd van sodomie, zit al weken geboeid op het kampanjedek, halfdood in de felle zon, alom heerst er dorst en scheurbuik, eten wordt er nauwelijks meer verstrekt. Achttien man hebben de heenreis niet overleefd, in het jaar van aankomst zouden nog eens 41 man sterven uiteindelijk zouden van Naporra's 356 medeschepelingen slechts 107 Europa levend terugzien.

Er zijn momenten van onverwachte hulp en ongekende trouw, maar dat blijft uitzonderlijk in de drijvende werkkampen van de VOC. We kijken tweehonderdvijftig jaar terug, door de de unieke opening die Naporra en Van Gelder hebben geschapen, en we zien vooral een wereld vol ontembare hebzucht en wreedheid, de Hollandse hel van de koopman-dominee waaraan onze `voorzichtige vrijbuiter' enkel met veel goddelijke hulp en boerenslimheid wist te ontkomen.

Roelof van Gelder: Naporra's omweg. Het leven van een VOC-matroos (1731-1793). Atlas, 525 blz. €34,90