Een flipperbal op Financiën

Alweer een record voor minister-president Balkenende. Hij mocht zich al aanvoerder van het kortstzittende kabinet van na de oorlog noemen. Over een kleine drie weken kan hij zich op prinsjesdag presenteren als leider van het kabinet met het grootste naoorlogse ombuigingspakket. Met de bijna 4 miljard euro aan extra bezuinigingen en lastenverzwaringen waarover het kabinet het vorige week in grote lijnen eens werd, bedraagt het totaal aan ombuigingen tot en met 2007 inmiddels zo'n 17 miljard euro. In guldens uitgedrukt spreekt de omvang meer tot de verbeelding: ruim 37 miljard.

Langzaam maar zeker maken de abstractheden die achter het onuitroeibare Haagse beleidsjargon schuil gaan, plaats voor concrete maatregelen. En de reacties uit de samenleving zijn navenant. De komende maanden zijn bij uitstek de gelegenheid om Georganiseerd Nederland te leren kennen. Elke belangengroep zal van zich laten horen: van de Vereniging Aangeboren Heupafwijkingen tot de Stichting Zwerfkinderen Nederland.

De vergelijking met begin jaren tachtig toen het `no-nonsense'-kabinet van Ruud Lubbers aantrad is ondertussen al vaak gemaakt. Ook toen over de hele linie forse bezuinigingen, ofschoon nog net niet zoveel als nu.

Toch is er één groot verschil met toen. Lubbers trad in 1982 aan na een reeks jaren van vrijwel economische stilstand. Twee oliecrises in de daaraan voorafgaande jaren zeventig hadden de wereldeconomie ongenadig hard geraakt. In Nederland vertaalde zich dit in desastreuze macro-economische cijfers. Toen Lubbers `zijn karwei' begon, waren er 540 duizend werklozen, beliep de inflatie 6,5 procent en naderde het financieringstekort de grens van 10 procent van het nationaal inkomen. Alle reden voor zware ingrepen dus.

Maar nu? Zeker, de Nederlandse economie verkeert sinds dit jaar in een recessie. Maar wat voor een gouden periode is er niet aan de huidige dip voorafgegaan? Het kon niet op in de jaren negentig. Nederland was het economisch wonder van Europa en liet dat zien ook: de welvaart spetterde er vanaf. De overheid profiteerde op haar manier: de miljoenennota voor het jaar 2001 begon met de trotse mededeling van de minister van Financiën dat de regering voor het eerst sinds 1949 weer een begrotingsoverschot kon presenteren.

En dan nu, twee jaar later, het ongekend grote bezuinigingsbedrag dat de operatie uit de donkere jaren tachtig nog overtreft. Ergens is er dus iets verschrikkelijk misgegaan met de overheidsfinanciën. Want hoe zwak is het fundament van de rijksbegroting als een vergeleken met het verleden bescheiden economische teruggang zulke draconische maatregelen noodzakelijk maakt om de balans weer in evenwicht te krijgen? Ingrepen die bovendien in eerste instantie de recessie slechts zullen verergeren. De economie is juist nu gebaat bij meer bestedingen. Maar de plannen van het kabinet betekenen dat gemiddeld genomen iedereen er in besteedbaar inkomen op achteruit zal gaan met als gevolg afnemende bestedingen. Waar een zogeheten anticyclisch beleid gewenst zou zijn, leidt het op orde brengen van de boekhouding tot een procyclisch beleid.

In de rijke paarse jaren negentig toen het financiële meevallers regende is verzuimd een buffer op te bouwen voor het geval het economisch tij zou keren. Het creëren van die buffer was nu exact wat de minister van Financiën in 1994 bij zijn aantreden beloofde. ,,Zo wordt de kwetsbaarheid van het begrotingsbeleid door mogelijk minder gunstige ontwikkelingen in latere jaren verkleind'', aldus Gerrit Zalm in het voorwoord bij zijn eerste begroting. Acht jaar later beschouwde hij in opnieuw het voorwoord bij de miljoenennota voor het jaar 2002 zijn missie als geslaagd: ,,Dankzij het huidige begrotingsbeleid is de doorwerking van de grillige economische conjunctuur op de begroting beperkt'', schreef hij. Wat het woord `beperkt' in de praktijk betekent ondervinden op dit moment de collega's van Zalm die bezig zijn met de grootste bezuinigingsoperatie ooit.

Het weerstandsvermogen van de rijksbegroting blijkt, nu het erop aankomt, niets voor te stellen. Zalm, eerstverantwoordelijke voor dit echec zou zich diep moeten schamen, maar het tegendeel is het geval. Het ligt allemaal niet aan hem. Vorige maand legde hij in een interview met het Radio 1 Journaal de schuld voor het uit de hand lopen van de overheidsfinanciën geheel bij zijn collega's uit het tweede-paarse kabinet. Hij had in het jaar 2000 ,,onder grote politieke druk'' van vooral de PvdA moeten toegeven aan meer uitgaven voor onderwijs, veiligheid en zorg. Als het aan Zalm had gelegen zouden de aanhoudende meevallers die de paarse kabinetten in de schoot geworpen kregen vanaf 2000 zijn gebruikt als reserve voor slechtere tijden. Zegt hij nu.

Ongetwijfeld zal Zalm zich ten tijde van Paars als meest zuinige minister hebben gedragen. Maar dat neemt niet weg dat ook hij uiteindelijk heeft getekend voor het resultaat en zodoende daarvoor de volledige verantwoordelijkheid draagt.

Sterker nog: als Zalm nu stelt dat de huidige omvangrijke bezuinigingen mede het gevolg zijn van het door hem betreurde royale uitgavenpatroon van Paars heeft hij in 2002 pure onzin opgeschreven in zijn eigen miljoenennota. Toen was het immers dankzij het begrotingsbeleid dat de invloed van de grillige economische conjunctuur op de overheidshuishouding beperkt was.

Dat Zalm over een flexibele geest beschikt en de neiging heeft de geschiedenis in eigen richting bij te kleuren bleek overigens vorig jaar ook al. Toen nam hij twee dagen voor de hectische verkiezingen van 15 mei, middenin de `Fortuyn-revolte', in zijn notitie Politieke Onvrede op talloze onderdelen afstand van de paarse kabinetten waarvan hij zelf deel had uitgemaakt. Het was bij nader inzien allemaal weinig vernieuwend gebleken: een beleid ,,van pappen en nathouden'' veroorzaakt door ,,halfslachtige compromissen''.

Bovendien waren er te weinig bewindslieden tussentijds afgetreden. ,,In geval van twijfel is aftreden beter dan blijven'', aldus de man die zelf ondanks al zijn kritiek gewoon is blijven zitten. Gerrit Zalm: zo flexibel als een flipperbal.