Echte piraten

`Pirates of the Caribbean' is dé zomerhit in de bioscoop. Waarom heeft deze Disney-film zo'n succes?

De populairste gratis attractie in Las Vegas heet Treasure Island. Het verzamelde publiek is er getuige van hoe een karveel door een piratenschip wordt geënterd in de vijver voor een hotel. Ik zal niet onthullen welk van beide schepen uiteindelijk zinkt, maar voor het zover is geniet het publiek van veel gebral en geknal, kruitdamp en geflits van degens en hartsvangers. Scènes uit een achttiende-eeuws theaterstuk, met krakende en knarsende toneelmachines, want op een koopje.

Heel wat gladder beweegt het piratenevenement in Disneyworld, daarvoor moet je dan ook betalen. Van deze attractie heeft Disney een speelfilm gemaakt: Pirates of the Caribbean: The Curse of the Black Pearl.

Waarom heeft deze zomerfilm zoveel succes, ook in Nederland? Omdat het een Disney-attractie is? Omdat Johnny Depps kapitein Jack Sparrow een soort cockney-rapper is en er uitziet als een kruising tussen Sandokan en Adam Ant? Omdat naast hem pubers de show stelen? Omdat er zombies in voorkomen?

In ieder geval is Disney teruggekeerd naar de traditie. Niet alleen die van Hollywood met The Black Pirate (1926), Captain Blood (1935) en The Crimson Pirate (1952), waarin respectievelijk Douglas Fairbanks, Erroll Flynn en Burt Lancaster door atletische capriolen de show stalen. Maar ook die van tijd en ruimte. Echte piraten bewegen zich namelijk niet in het Maleisië van 2003 met internet, radar en snelboten. Nee, die bevinden zich ergens tussen 1640 en 1720, op locatie in de Caraïben. Met `stukken van acht' als betaalmiddel, met barbecues op palmstranden, verborgen schatten, flessen rum, papegaaien en niet te vergeten de zwarte vlag.

In grote lijnen heeft Daniel Defoe die combinatie bedacht. De volledige titel van zijn Robinson Crusoe (1719) eindigt met het woord `pyrates'. Maar die kwam Robinson niet tegen. In hetzelfde jaar publiceerde Defoe, eveneens anoniem, de `autobiografie' van de reëel bestaande kaperkapitein Avery: The King of Pyrates. Al op pagina 3 van zijn relaas heeft Avery het over 80.000 stukken van acht, op twaalf voet diep, stiekem begraven in `L-'. Tien bladzijden verder valt zijn schuit een Brits schip aan en laat het de Jolly Roger wapperen: `Geen kwartier!'

Een jaar later publiceerde Defoe The Life, Adventures and Pyracies of the Famous Captain Singleton, een soort uitgebreide, gefingeerde versie van Avery. Singleton vindt het heerlijk om piraat te zijn: ,,Ik had al de neiging om te stelen, maar als piraat verkeerde ik werkelijk in mijn element en ik heb in mijn hele leven nooit iets ondernomen dat mij meer bevrediging schonk.'' Deze observatie echoot stevig door in het slot van `The Curse of the Black Pearl'.

Misschien ging Disney nog dieper de historische bronnen in. Het eiland Tortuga oogt in de film als een Sodom en Gomorra met veel hoeren en snoeren. Dat waren zeeroversnesten inderdaad, volgens de bronnen. Alexander O. Exquemelin beschrijft in De Americaensche Zee-Roovers (1678) dat sommige boekaniers er in één nacht wel 2.000 tot 3.000 stukken van acht doorjoegen. Hij heeft zelf gezien dat piraten 500 stukken van acht aan een gewone hoer gaven, alleen om haar naakt te mogen zien.

Het definitieve piratenverhaal blijft uiteraard Treasure Island (1883) van Robert Louis Stevenson. Deze roman heette oorspronkelijk `De scheepskok', naar het belangrijkste personage kok Long John Silver. Anders dan de zeerovers van zijn voorgangers (aan wie hij ook zelf toegaf schatplichtig te zijn) gaf Stevenson aan de eenbenige kok annex piraat, een dubbelzinnige en gecompliceerde persoonlijkheid. Net als Jack Sparrow.