Altijd op zoek naar harmonie

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Wie is er aan de beurt? Ons eerste voorstel: Hella Haasse.

In haar essay La république mondiale des lettres (1999) formuleerde de Franse literatuurcritica Pascale Casanova een aantal maatstaven waaraan schrijvers zouden moeten voldoen om voor de Nobelprijs in aanmerking te komen. Als onderzoekster uit de school van de Franse socioloog Pierre Bourdieu, beschouwt zij literatuur als cultureel kapitaal dat net als andere disciplines onderworpen is aan historische, geografische en economische wetten. Haar literaire republiek kent revoluties met winnaars en verliezers. Uit de geschiedenis van de Nobelprijs sinds 1901 destilleerde Casanova een aantal criteria die niet puur inhoudelijk literair zijn, maar ook te maken hebben met de positie van de schrijver op de internationale, literaire beursvloer. Twee jaar geleden voorspelde zij dat de Nobelprijs naar een auteur van Chinese afkomst zou gaan: het werd Gao Xingjang.

Hella S. Haasse zou nu een waardige Nobelprijskandidaat zijn. Niet omdat de Franse pers onlangs na de publicatie van Les initiés (De ingewijden) schreef dat Haasse absoluut `nobélisable' is. En al helemaal niet omdat het, gezien het ritme, weer eens tijd is voor een vrouw.

Waarom is Haasse dan wel de Nobelprijskandidaat bij uitstek?

Laten we de criteria volgen die Pascale Casanova in haar boek formuleerde. Zij schrijft dat die criteria van begin af aan van politieke aard waren, gericht op neutraliteit en evenwicht, geheel in de geest van Alfred Nobel, die in zijn testament spreekt van `esthetiek van het evenwicht', van `harmonie' en `pure en nobele ideeën' in de kunst van het verhalen vertellen.

Dat zijn kwalificaties die zonder meer op het werk van Hella S. Haasse van toepassing zijn. Of je nu haar romans leest, haar essays, haar toneelstukken of haar zelfportretten, ze getuigen allemaal van een grote doordachtheid: hier schrijft iemand die niet over één nacht ijs is gegaan, die niet impulsief naar de pen heeft gegrepen, die haar hartstochten niet zomaar van de daken schreeuwt, maar een schrijfster die de zinnen langzaam heeft laten rijpen, waardoor ze niet alleen een grote stilistische zorgvuldigheid en soepelheid kennen, maar ook inhoudelijk uitgebalanceerd en `af' zijn.

Harmonie

Evenwicht en harmonie zijn kernbegrippen in het werk van Haasse. Niet dat haar personages zo evenwichtig zijn en de paren zo harmonieus – integendeel. Het is vaak een wirwar van hartstocht en ratio, een kluwen waarin gevoelens en verstand om voorrang strijden. Haar hoofdpersonen zijn op zoek naar harmonie. Of ze dat vinden is een tweede. Bij Haasse is er altijd sprake van een ingewikkeld netwerk van relaties, waarvan een deel zichtbaar is en een ander deel niet. Juist in dat laatste schuilt een mysterie, iets ongrijpbaars, dat in de loop van het verhaal in meer of mindere mate ontrafeld wordt. Haasses werkelijkheid is onkenbaar: zij interpreteert om er een lijn, een logica in te ontdekken. Daarbij doet ze een beroep op de onuitputtelijke `wegen der verbeelding', niet voor niets ook de titel van één van haar romans. Vandaar ook het labyrint-motief, dat in veel van Haasses werk voorkomt: de werkelijkheid is een doolhof waarin je je weg moet zoeken. Niets is toevallig, alles hangt met alles samen – de kunst is alleen om te ontdekken op welke manier. En die kunst beheerst Haasse meesterlijk.

Dat geldt ook voor Haasses historische romans en voor de romans waarin een deel gebaseerd is op authentiek historisch materiaal. De geschiedenis is nooit eenduidig: waarom was het leven van Charles d'Orléans zoals het was? Wat was de relatie tussen Hadrianus en Claudius Claudianus in het Rome van 417 voor Christus? Wat waren de beweegredenen van Joan Derk van der Capellen? Waarom handelde Charlotte Sophie von Aldenburg ofwel mevrouw Bentinck zo en niet anders? Hun geschiedenis kan op honderd manieren verteld worden. Uit de chaotische waaier aan mogelijkheden die de literatuur biedt, kiest Haasse er één die haar romanfiguren tot prachtige karakters smeedt, met al hun crises en al hun tegenstrijdigheden.

De duistere kanten van de mens heeft Haasse daarbij nooit links laten liggen. In het onlangs heruitgegeven De meester van de neerdaling peilt ze de diepten van eenzaamheid en waanzin, toont ze een menselijke geest die ronddoolt in het gebied van goed en kwaad. In Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven verkent ze een ander uiterste van de menselijke geest – het perverse en het volsterkt egoïstische – en polemiseert tegelijkertijd over de plaats van de vrouw in de literatuur en de liefde.

Als beschouwend, reflecterend schrijfster heeft Haasse ook altijd de behoefte gehad om verantwoording af te leggen, zichtbaar te maken wat haar drijft. Zoals haar personages op zoek gaan naar de achtergrond van hun handelen, zo schroomt zij niet ook zelf in autobiografische essays – Persoonsbewijs, Zelfportret als legkaart en recent nog in Zwanen schieten – op zoek te gaan naar haar eigen beweegredenen, naar haar eigen achtergrond. Dat zij haar lezers die blik gunt in haar lezen, in haar leven en in haar denken, is bijzonder en uitzonderlijk.

Nationaal karakter

Het tweede criterium is volgens Casanova een niet al te duidelijk opgeëist nationaal karakter van het literaire werk: dat zou de universaliteit ervan ondermijnen. Is Haasse een `typisch Nederlands auteur'? Nee, verre van dat. De prachtige, doorwrochte essays die ze schreef over Vestdijk (waaronder een tekst die ze op verzoek schreef en als aanbeveling voor het Nobelprijscomité), over W.F. Hermans, over Willem III, over Elias Canetti, over Multatuli, Gombrowicz en over de geschiedenis van Java, om er slechts enkele te noemen, zijn evenzovele zoektochten naar verwante geesten. Ze hebben schrijvers van wereldklasse tot onderwerp of historische figuren die een bepaald tijdperk mede hebben bepaald.

In Oeroeg, Heren van de thee en recent in Sleuteloog – `Indische' romans van Haasse – onderzocht zij steeds haar veranderende verhouding tot haar geboorteland Indonesië en, inherent daaraan, haar eigen identiteit. De jeugdvrienden uit Oeroeg, de pioniers uit Heren van de thee en de bejaarde vrouw uit Sleuteloog worstelen allemaal met de ervaring van ballingschap, met een gevoel van thuisloosheid; allen kennen de verleidingen van het sensuele en het exotische, opgeroepen door de overweldigende natuur van Indonesië. Allen worden op onverwachte wijze geconfronteerd met de ander en met het andere. Haasse verdiepte zich steeds in andere tijden en andere culturen om afstanden te overbruggen en verbanden te kunnen leggen. Al zoekend en schrijvend streeft ze ernaar ,,datgene uit te drukken waarvoor geen woorden zijn'' – dat ze daarin slaagt bewijst ze nog steeds met iedere nieuwe roman.

Het derde criterium dat Casanova formuleert is dat van de receptie. Het werk moet toegankelijk zijn voor een groot publiek en niet alleen aanslaan bij een kleine, intellectuele incrowd. De auteur heeft er ook baat bij in zoveel mogelijk talen vertaald te zijn. Haasses werk is in zeer veel talen beschikbaar, dus ook aan dat criterium is voldaan. Een bijzondere plaats neemt, volgens Casanova, het Frans in. Zij laat niet na te benadrukken hoeveel Nobelprijswinnaars er via `Parijs' in geslaagd zijn erkenning te krijgen voor hun werk: beschikbaarheid in het Frans heeft vele andere vertalingen mogelijk gemaakt en daarmee de weg naar de Nobelprijs geëffend. Is het toeval dat juist Haasses romans integraal in het Frans zijn vertaald en er prominent in de boekhandel liggen?

Het kan niet anders of Hella S. Haasse krijgt de Nobelprijs.

De Franse pers vindt Haasse `absolument nobélisable'