Altijd maar willen meepraten

Gaat de democratie aan haar eigen succes ten onder? Een gematigde middenklasse is een voorwaarde, aldus Fareed Zakaria. Anders gaat het mis, zoals in Servië en in Rusland. Maar ook de VS vallen ten prooi aan populisme: de kiezer moet altijd zijn zin krijgen.

De democratie is in opmars en dat is slecht nieuws. Met deze provocerende stelling heeft Fareed Zakaria, redacteur van Newsweek, neoconservatief Amerika de gordijnen ingejaagd. `Neocon'-ideoloog Robert Kagan, die in zijn eigen Of Paradise and Power (besproken in Boeken, 28.02.03) de democratische zendingsdrang beschrijft als een logisch en welkom uitvloeisel van Amerika's wereldmacht, schreef vorige maand in The New Republic een recensie van tien pagina's over Zakaria's boek, die veel weg heeft van een langgerekte steniging. De schrijver van The Future of Freedom, luidt de conclusie van Kagan, houdt niet van democratie.

Zakaria is dol op paradoxen: de democratie wordt volgens hem bedreigd door haar eigen succes. De afgelopen kwart eeuw heeft dit politieke systeem een groot deel van de wereld veroverd. De expansie begon midden jaren zeventig in Zuid-Europa (Portugal, Spanje, Griekenland), kreeg vervolgens greep op grote delen van Latijns-Amerika en Azië en na 1989 kwam Oost-Europa aan de beurt. Maar dit duizelingwekkende resultaat bracht het democratische systeem ook in diskrediet. De nieuwe democratieën verdienen die naam soms maar half, doordat ze een loopje nemen met de eisen van de rechtsstaat. Echte democratie, aldus Zakaria, is een kwestie van evenwicht tussen de macht van de kiezers en de constitutionele garanties die het individu beschermen. De heerschappij van de wet (rule of law) moet minderheden beschermen tegen de macht van de regering.

De constitutionele of liberale democratie, aldus Zakaria, staat tegenover de `illiberal democracy' die wordt beheerst door de dictatuur van de stembus, uitgeoefend door een machthebber die met steun van de electorale meerderheid de wet aan zijn laars lapt en de krachten van willekeur en fanatisme vrij spel geeft. Deze `democratie' heeft volgens Zakaria snel terrein gewonnen, een zegetocht die het democratische stelsel in opspraak brengt. Hier loert ook voor Irak een groot gevaar: verkiezingen zonder deugdelijke rechtsorde kunnen tot een resultaat leiden dat de tirannie terugbrengt.

Servië is een van de staten waar het na 1989 volgens Zakaria flink misging. Slobodan Miloševic kreeg enkele keren een mandaat van de kiezers, dat hij gebruikte om in het binnenland met de methodes van de politiestaat tegenstanders onschadelijk te maken en om in de buurstaten een spoor van bloedwraak te trekken. Ook in Rusland zijn de afgelopen twaalf jaar presidentsverkiezingen gehouden waarin verschillende kandidaten de democratische mogelijkheid kregen om naar de gunst van de kiezers te dingen. Jeltsin en zijn opvolger Poetin hebben volgens Zakaria echter hun overwinning misbruikt door alles te doen wat de opbouw van een rechtsstaat belemmert. De eerste president van de democratie Rusland verzwakte de positie van het parlement, de rechterlijke macht en het regionale bestuur. Alles wat op scheiding der machten en pluralisme lijkt werd onder Jeltsin tegengewerkt. Op die weg is Poetin voortgegaan. Hij maakt er een gewoonte van ongehoorzame wetgevers en rechters hun salaris te onthouden. Er is nauwelijks sprake van een partijvorming die tot serieuze oppositie kan leiden of van een persvrijheid die autocratische praktijken aan de kaak kan stellen. In de economie heersen kartelvorming, chaos en criminaliteit. Regelgeving die de markt tot een plaats van eerlijke concurrentie zou moeten maken, is nog nauwelijks van de grond gekomen. De Russische kiezer, die in 1990 in het diepe is gegooid en sindsdien nog nauwelijks heeft leren zwemmen, weet niets anders te doen dan de nieuwe tsaar te steunen, waarschijnlijk uit angst voor een nog grotere chaos.

In China gaat het volgens Zakaria veel beter omdat de omschakeling daar in omgekeerde richting verloopt: eerst een geleidelijke invoering van de markteconomie, die op den duur tot democratische hervormingen kan leiden. In het Chinese model wordt rekening gehouden met de ontwikkeling die in het Westen tot de vestiging van stabiele democratieën heeft geleid. Het negentiende-eeuwse kapitalisme bracht dynamiek en verlangen naar verandering die oversloegen naar de politiek. Toen de markteconomie tot welvaart begon te leiden, kwam de invoering van het algemeen kiesrecht op gang. Zonder economisch succes geen levensvatbare democratie, aldus Zakaria.

Democratie is geen kwestie van cultureel bepaalde voorbestemming: Zakaria verwerpt Huntington-achtige theorieën over beschavingen die wel en niet in aanmerking komen voor een democratische ontwikkeling. Democratie is een zaak van omstandigheden, kansen en gevaren. Een markteconomie moet de tijd krijgen om te rijpen, aldus The Future of Freedom, zodat een gematigde middenklasse zich kan ontwikkelen tot de stut van een stabiele democratie. In Rusland heeft men dit stadium overgeslagen, in China wordt er sinds twintig jaar aan gewerkt. Maar ook daar is een succesvolle ontwikkeling naar de politieke democratie niet verzekerd.

Beslissend is niet alleen de wijsheid van een regering die de noodzaak van geleidelijkheid onderkent, ook de internationale omstandigheden moeten meewerken. In Duitsland ging het vorige eeuw mis doordat de Eerste Wereldoorlog, de gehate vrede van Versailles en de economische crisis een te zware belasting voor de nog fragiele instellingen van de Weimar-democratie waren. Ook China kan volgens Zakaria door een dergelijke ramp worden getroffen. Als de Verenigde Staten de Chinese regering te veel onder druk zetten om snel democratische hervormingen in te voeren, is de kans groot dat het land – en daarmee mogelijk ook Azië en de rest van de wereld – in een chaos wordt gestort. Schokken kunnen fataal zijn voor de Chinese kasplant.

Het betoog van Zakaria lijkt een pleidooi voor common sense, maar bij nader inzien berust dit gezonde verstand op een selectief oordeel over autocratische heersers. Zijn kritiek op Poetin staat in merkwaardig contrast tot een opmerkelijk groot vertrouwen in de leiding van de Chinese communistische partij. Zo beweert Zakaria dat de huidige regering in Peking niet is behept met het fanatieke nationalisme waarvan een groot deel van de Chinese bevolking in de kwestie-Taiwan blijk geeft.

De vraag is: hoe weet de schrijver van The Future of Freedom dit? Hoe kun je zo stellig beweringen doen over de opvattingen van burgers die geen mogelijkheid hebben hun mening kenbaar te maken? Niettemin houdt Zakaria vol dat een spoedige instelling van de democratie in China gevaarlijke mogelijkheden biedt aan een nationalistische massabeweging en daarom maar beter nog even achterwege kan blijven. Wat dan weer de vraag oproept wanneer de Chinese partijleiders zichzelf geschikt zullen vinden om op te krassen, een daad waartoe machthebbers zelden vrijwillig overgaan.

Het wordt nog vreemder als Zakaria in zijn boek de loftrompet steekt over de Chileense dictator Pinochet, die in 1973 de democratie in zijn land met geweld beëindigde en voor de duur van meer dan twintig jaar een militair schrikbewind instelde. De schrijver van The Future of Freedom meent dat die periode werd benut voor een economische wederopbouw die de basis legde voor het recente herstel van de democratie. Hij gaat echter voorbij aan de mogelijkheid dat het democratische systeem in Chili nu zo goed functioneert omdat het kan terugvallen op de democratische traditie van vóór 1973.

Het verband tussen economische welvaart en een functionerende democratie heeft bij Zakaria soms te veel het karakter van een wetmatigheid. Al spreekt hij zichzelf op dit punt ook een enkele keer tegen. Hij verwijt de Amerikaanse regering in 1998 een belangrijke bijdrage te hebben geleverd aan de val van Soeharto: de democratie kwam in het straatarme Indonesië volgens Zakaria veel te vroeg. Het gevolg is dat het islamitisch fundamentalisme, gebruikmakend van de economische malaise, snel aan invloed wint. Maar op een andere plaats in zijn boek bestrijdt Zakaria de opvatting dat de islamitische cultuur een beletsel is voor democratische omgangsvormen door te verwijzen naar Indonesië. Een land dat in meerderheid een moslimbevolking heeft, maar waar de democratie volgens hem niettemin toch heel redelijk functioneert. Zo heb je altijd en dus te vaak gelijk.

Ook de toekomst van Irak is volgens Zakaria afhankelijk van politieke en economische omstandigheden. Ook daar hoeft de islamitische cultuur geen obstakel te zijn voor de instelling van een democratie. Te veel moslims leven zonder problemen in westerse landen om te kunnen beweren dat hun religie niet te combineren is met een democratische bestuursvorm. Hoe komt het dan dat de 22 leden tellende Arabische Liga geen enkele democratie kent? Ook hier zegt Zakaria: dat ligt niet aan de Arabische cultuur, maar aan economische en politieke achterlijkheid. Hoewel welvaart in zijn opvatting een onmisbare voorwaarde vormt voor een stabiel functionerende democratie, is te gemakkelijk verdiend geld daarentegen een beletsel.

De verkoop van olie heeft veel Arabische staten zo rijk gemaakt dat de stimulans is verdwenen om een moderne markteconomie op te bouwen. De economische modernisering die tot politiek pluralisme kan leiden, wordt afgewezen als een vorm van westers imperialisme. Veertig jaar geleden sloegen Irak en omringende staten een idealistische koers in die tot het pan-Arabische socialisme moest leiden. Maar de praktijk bestaat uit een verzameling politiestaten die de olieopbrengsten gebruiken om hun repressieapparaat te perfectioneren. De islam wordt misbruikt om een barricade op te werpen tegen de ontwikkeling van politiek-maatschappelijke instellingen die de macht van de regering kunnen aantasten. Zoals het Israëlisch-Palestijnse conflict wordt ingezet om de aandacht af te leiden van binnenlandse misstanden.

Hoe kan deze stagnatie worden doorbroken? De bezetting van Irak biedt volgens Zakaria grote kansen op een positieve ontwikkeling die naar andere Arabische staten kan overslaan. In dat opzicht verzet hij zich niet tegen het neoconservatieve perspectief van een democratische revolutie die het Midden-Oosten een ander aanzien kan geven. Maar Zakaria heeft aan de andere kant een scherp oog voor het gevaar dat deze ambitieuze operatie wordt verprutst door ongeduld. Na een kwart eeuw Saddam-dictatuur vergt een omschakeling naar democratische structuren veel tact en tijd. De schrijver van The Future of Freedom noemt een termijn van vijf jaar die nodig is om in Irak de economie, de rechtsstaat en de politieke instituties op poten te zetten. Pas dan zijn volgens hem vrije verkiezingen mogelijk die niet leiden tot een aanscherping van interne conclicten en een uitbarsting van politiek fanatisme. Eerst de instellingen opbouwen die stabiliteit en vrijheid scheppen, aldus het recept van Zakaria, en pas daarna democratische verkiezingen houden.

Hoe realistisch is dit pleidooi? De Irakezen willen af van de Amerikaanse voogdij en hun lot in eigen hand nemen. En zij zijn niet de enigen die ongaarne horen dat alles langzaam moet. Ook de Amerikaanse kiezers hebben haast. De bezetting van Irak kost Amerika een miljard dollar en – tot nu toe – tien soldatenlevens per week. Recente aanslagen voeden de angst dat het Libanon-scenario steeds meer werkelijkheid wordt. De hoogste Amerikaanse bewindvoerder in Irak, Paul Bremer, heeft aangekondigd dat de Irakezen binnen een jaar naar de stembus kunnen. Niet toevallig valt die datum een paar maanden voor de presidentsverkiezingen in november 2004: wil George W. Bush winnen, dan moet hij de Amerikaanse kiezers een exit strategy aanbieden. Het electoraat in de Verenigde Staten bepaalt wanneer de grenzen van de militaire en economische almacht in zicht komen en dat moment lijkt niet meer zo ver weg.

Na 11 september 2001 heeft de Amerikaanse regering gekozen voor een vlucht naar voren: verspreiding van de democratie is het beste middel om de nationale veiligheid te bevorderen. ,,Vrije naties kweken geen moorddadige ideologieën'', aldus president Bush. Maar in Afghanistan en Irak is inmiddels duidelijk dat een militaire overwinning niet automatisch de politieke doelstelling dichterbij brengt om de dictatuur te vervangen door een democratie. Voor democratische nation building zijn geduld en volharding nodig en noch van het een noch van het ander lijkt in de Verenigde Staten voldoende voorradig. En dus is de kans klein dat Irak de tijd krijgt om de economisch-institutionele stabiliteit te verwerven die volgens Zakaria nodig is voor de opbouw van een democratie die deze naam waardig is.

Het perspectief dat ongedurige Amerikaanse kiezers het democratische project in Irak voortijdig om zeep zullen helpen is koren op de molen van Zakaria. Want de macht van de kiezer is volgens hem niet alleen in een aantal voormalige dictaturen maar ook in de Verenigde Staten zelf te ver doorgeschoten. Vooral dit gevloek in de democratische kerk heeft de woede van neoconservatief Amerika opgewekt. De Amerikanen zijn volgens Zakaria zo bezeten van hun democratische missie, dat ze een scheve kijk hebben gekregen op de fundamenten van hun eigen politieke systeem. De Founding Fathers hadden een scherp oog voor de mogelijkheid dat een electorale meerderheid zich zou ontwikkelen tot een dictatuur. De Bill of Rights en het systeem van checks and balances zijn ingebouwd als instrumenten om dit gevaar te keren. Maar het evenwicht raakt volgens Zakaria in gevaar door de opmars van een populisme dat als credo voert: de kiezer moet altijd zijn zin krijgen. De praktijk die achter deze schijnbaar democratische leuze schuilgaat, bestaat uit verkiezingen die beslist worden in geld verslindende reclamecampagnes, terwijl volksvertegenwoordigers hun oren laten hangen naar lobbyisten.

Steeds minder Amerikanen hebben vertrouwen in hun politieke systeem. Het aantal burgers dat naar de stembus gaat blijft afnemen. De oorzaak is volgens Zakaria niet een tekort maar een overvloed aan democratie. Het electoraat heeft een toenemende afkeer van politici die niets anders doen dan proberen zich populair te maken. Respect is er daarentegen voor instituties als het Hooggerechtshof en de Federal Reserve Bank, instellingen die op basis van competentie en los van kiezersinvloed worden geleid. Waar is de tijd gebleven, zo verzucht Zakaria, dat John F. Kennedy als senator roem kon verwerven met een boek als Profiles in Courage (1956), een lofzang op Amerikaanse politici die in het verleden de moed hadden impopulaire beslissingen te nemen waarvoor de kiezers hun achteraf dankbaar waren.

In de Verenigde Staten – maar ook in West-Europa – overheerst echter de opvatting dat de ontevreden kiezer gepaaid moet worden met nog meer democratie. Het referendum moet het electoraat directe invloed geven. Een heilloze weg, aldus Zakaria, die in een even hilarisch als treurig hoofdstuk laat zien hoe dit instrument van de directe democratie in Californië (`California Dreaming') tot heilloze resultaten heeft geleid. Volksuitspraken over de hoogte van belastingen en het uitgavenniveau van overheidsdiensten hebben inmiddels belangrijke onderdelen van het publieke leven ontwricht. De elektriciteitsvoorziening is een puinhoop, aan infrastructuur wordt nog vijf procent van het overheidsbudget uitgegeven (voorheen bijna een kwart) en het onderwijs heeft nergens anders in Amerika zo'n laag niveau. Hoeveel meer democratie heeft Californië nog nodig, zo vraagt Zakaria zich af, om in een toestand van anarchie terecht te komen? Is het misschien een idee om de rentestand in deze staat per volksstemming te laten bepalen?

De constitutionele democratie, zo luidt de boodschap van Zakaria, is een kwestie van timing en maat houden. Rechtsorde en bestuurbaarheid komen in de knel als de kiezer te veel te zeggen krijgt. In de nieuwe democratieën leidt een ongeremde invloed van het electoraat soms tot een dictatuur van de staat. In de westerse democratieën bestaat het gevaar dat directe inspraak van de burger een gecoördineerd bestuur blokkeert, terwijl in de buitenlandse politiek kortzichtigheid regeert. Instituties functioneren beter als ze op afstand van de volksinvloed kunnen werken. Delegatie draagt bij aan efficiëntie, te veel democratie brengt de democratie in diskrediet. The Future of Freedom wordt gevoed door een wantrouwen tegen democratische kiezersinvloed dat verzet oproept, maar wel blijk geeft van een scherp inzicht in de duistere kanten van de democratie. Het betoog van Zakaria overtuigt niet altijd, hij komt af en toe met zichzelf in tegenspraak. Ook vergeet hij de essentiële vraag aan te snijden hoe al die ongeduldige kiezers in Irak, de Verenigde Staten en elders aan het verstand kan worden gebracht dat ze in hun eigen belang meer zelfbeheersing in acht moeten nemen. Maar belangrijk is zijn boek zeker. De kwalen en gevaren die hij op soms hardhandige wijze benoemt, werpen een schaduw over de toekomst van de democratie.

Fareed Zakaria: The Future of Freedom. Illiberal Democracy at Home and Abroad. W.W. Norton & Company, 286 blz. €27,55