Alles is voor hem een handicap

De Zaanstreek: `een naar cacao en soep stinkende microkosmos vol spionnen en verraders.' De Nederlandse Spoorwegen: `de schaamteloze spoorwegmaatschappij die in ons land het openbaar vervoer ontmantelt.' De koran: `dat onvoorstelbaar agressieve kutboek'. De fiets: `het meest vernederende soort vervoer dat de geschiedenis had opgeleverd'. Dit is maar een kleine greep uit de nijdige statements die Bas van Putten de hoofdpersoon van zijn nieuwe roman, De evangelist, in de mond legt. Wie al eerder iets van hem las, zal niet opkijken van het bijna onuitputtelijke chagrijn dat uit deze roman opwelt. Ook in Doorn (2000), De hemelpoort (2001) en Almacht (2002) gaf hij het woord aan cultuurpessimisten die hun dagen vulden met getob en gepieker over hun eenzaamheid, onbegrepenheid en hun ontevredenheid over alles, zichzelf niet in de laatste plaats.

In zijn nieuwe roman, de vierde in vier jaar tijd, stelt Van Putten zijn lezers wederom voor de opdracht om zich een boek lang in te leven in de gedachtekronkels van een hypochonder. Een enkele keer wordt ons een blik gegund in een iets normaler brein, maar overwegend moeten we het doen met het monomane gedenk van een man die het met zijn afkomst, het tijdsgewricht, de omstandigheden en de mensen om hem heen niet speciaal getroffen meent te hebben. Ook zijn naam, Johannes Bach, ziet hij als een handicap. Maar tegelijkertijd is hij trots op zijn bijzondere eigenschappen die hem zo anders maken dan de verafschuwde anderen. En hij mag dan, naar eigen zeggen, tot dan toe een onwaarschijnlijk leven hebben geleid – rijk is hij op zijn veertigste wel. Met het geld dat hij heeft verdiend met handel in klassieke auto's hoopt hij ooit een nieuw, artistiek leven te gaan leiden. Omstandig wordt ingegaan op de kwestie waarom hij als twintigjarige zijn muziekcarrière opgaf, maar helemaal te volgen is het boze relaas toch niet. Een vervelende leraar kon blijkbaar al de doorslag geven. Of zijn eigen onwil om uit te leggen waarom hij Schubert langzaam wilde spelen en Beethoven hard.

Zo is ook niet helemaal te volgen waar de bekeringsdrift die Bach op zeker moment overvalt, vandaan komt. Ineens blijkt hij, die zich weinig gelegen liet liggen aan zijn naasten, een plan te hebben om de mensheid te verheffen. Volgens het nieuwe evangelie van Johannes, dat in De evangelist wordt verkondigd, dient de mens niet langer te geloven in God, maar in muziek en in kunst in het algemeen. Bach ziet het als zijn taak om de gelovige van God te genezen, zonder hem zijn geloofsdrang af te nemen. Die hoeft dus alleen nog maar even anders gericht te worden.

Het probleem met De evangelist is dat de held ervan in zijn bekeringsdrift niet serieus te nemen valt, na al zijn ongenuanceerde uitspraken over Marokkanen, Turken, negers, vrouwen, homoseksuelen en burgers in het algemeen. Een bijna nog groter probleem vormen de zinnen en beelden die Van Putten gebruikt om zijn pompeuze artiest tot leven te brengen. Die zinnen getuigen van weinig kunstzinnigheid, misschien ook wel van te veel kunstzinnigheid. Uit angst, zo lijkt het, om zelf voor een burgermannetje versleten te worden, doet Van Putten liever geen begrijpelijke mededelingen, maar wentelt hij zich in een eigenaardige woordenbrij, onder het anti-Wittgensteiniaanse motto: `Wat hij zeggen kon moest hij verzwijgen'. Er komt bijna geen zin voor in deze roman of hij is aangedikt, opgeblazen of met een vergelijking verzwaard. Van een vrouw die boos naar de keuken loopt, heet het dat ze `haar spanning' achterlaat `als een hert zijn hoefafdrukken in de sneeuw'. Over de huid van dezelfde jonge vrouw wordt opgemerkt dat het `als een dekzeil gedrapeerd' zou zijn `over de smerigheid die twintig eeuwen beschaving in de wind geslagen had', wat dat ook maar mag betekenen. En als Bach bij zijn vriendin blijft slapen, dan gebeurt er wel wat, maar een helder zicht op de intimiteiten wordt niet geboden. `In het bed van twee bij twee voltrok zich tot verbijstering van zijn verpletterde gemoed alsnog een reeks van halfvoltooide zonden, die in hun alcoholische vergetelheid vervluchtigden tot hoogmis van verenigd zijn in het bewusteloze weten dat alleen geliefden kennen.' Of hier een climax wordt bereikt of juist niet, is onduidelijk.

Van Putten stelt het geduld van zijn lezers danig op de proef. Zij moeten zich door al die moeizame zinnen heen zien te worstelen met geen andere beloning dan een klinkende catastrofe, helemaal op het eind, in het meest gunstige geval misschien vergelijkbaar met het huiveringwekkende slot van De opdracht van Wessel te Gussinklo of met dat van Publieke werken van Thomas Rosenboom. Daar ziet het tenminste een hele tijd naar uit. Maar de mensenvrezende, racistische, humeurige en alcoholistische Bach ondergaat in het laatste kwart van de roman de louterende werking van de verbeelding. Als de muze over hem vaardig wordt en hij zich gaat wijden aan een geëngageerd muziektheaterstuk, keert zich alles alsnog ten goede. Hij verzoent zich met de Zaanstreek, met fiets en trein, met de islamitische medemens en met zijn hele bestaan en komt met beide benen op de grond terecht. Voor de lezer, murw geslagen door de duistere donderpreek die eraan vooraf ging, komt deze verlossing enkele honderden bladzijden te laat.

Bas van Putten: De evangelist. Contact. 510 blz. €24,90

    • Janet Luis