Wegenbouwkartel

Nadat de gemeente Amsterdam in mei 2003 geen reden zag een einde te maken aan het Stora-kartel, heeft de gemeente de Stora-praktijk nadat de NMa in april daar een onderzoek naar begon vanaf juni 2003 opgeschort en inmiddels te kennen gegeven dat zij met het kartel wil stoppen (NRC Handelsblad, 21 augustus).

Afgaande op de berichtgeving in deze krant, houden de afspraken van de gemeente Amsterdam uit 1991 met vijf, en later zes wegenbouwers, in dat de Dienst Waterbeheer en Riolering (DWR) opdrachten exclusief onderbrengt bij één van de `Stora-zes'.

Los van de vraag of deze wijze van gunning verenigbaar is met de voorschriften voor aanbesteding van overheidsopdrachten, en los van de vraag of de afspraken uit 1991 van meet af aan in strijd waren met de toenmalige Wet economische mededinging, lijkt te moeten worden vastgesteld dat de afspraken van de gemeente Amsterdam met de Stora-zes in elk geval vanaf de inwerkingtreding van de Mededingingswet per 1 januari 1998 ongeldig zijn.

De Stora-afspraken lijken immers sterk op kartelafspraken en die zijn op grond van artikel 6 van de Mededingingswet sinds 1 januari 1998 niet alleen verboden, maar ook nietig en dus in rechte niet afdwingbaar. De exclusiviteit in de relatie van DWR met de Stora-zes sluit andere aannemers uit van gunning waardoor er voor de duur van de afspraken in het geheel geen mededinging meer is tussen de Stora-zes en andere aannemers. Dit is naar aard en werking in strijd met het kartelverbod.

Voor zover de Stora-zes daarnaast onderling werk hebben verdeeld, is evenzeer sprake van een met het kartelverbod strijdige beperking van de mededinging. De gemeente Amsterdam wil nu dus van het wegenbouwkartel af. De conclusie is echter dat de afspraken van de gemeente Amsterdam met de Stora-zes al vanaf 1 januari 1998 ongeldig zijn.

De gemeente kan deze afspraken dus vergeten en DWR is met inachtneming van de aanbestedingsvoorschriften geheel vrij in het gunnen van haar opdrachten.

    • Léon E.J. Korsten