Weer naar school

Als voormalig docent droomt Rascha Peper ieder jaar aan het eind van de zomer weer dezelfde nare droom. In kimono dwaalt ze door de gangen.

Al een jaar of twaalf heb ik niets meer met het onderwijs te maken, maar ieder jaar aan het eind van de zomer is het raak: ik droom dat ik weer naar school moet. Het is meestal in augustus, het kan een keertje september worden, maar de droom slaat nooit een jaar over. Kennelijk heeft de innerlijke klok – beroemd vanwege de jetlags en de overgang van winter- naar zomertijd – ook weet van het verloop van het schooljaar.

De droom volgt altijd hetzelfde stramien. Gehaast, al flink te laat, kom ik op school aan, nog in kimono, onopgemaakt en met slierterig haar. Boeken heb ik niet bij me en van een lesrooster is me niets bekend; ik weet niet eens welke klassen ik dit jaar heb. Ik dwaal door de gangen. Iedereen is al binnen, door dichte deuren heen klinken de bedaard docerende stemmen van mijn collega's en door ramen vang ik flarden op van keurig oplettende leerlingen. Waar is mijn lokaal nou? Het moet vol wachtende kinderen zitten, die gaan er een bende van maken als ik niet opschiet. Maar ik heb geen idee waar ik moet zijn en begin me onderhand ook zorgen te maken over mijn uiterlijk. Preuts trek in de kimono zo decent mogelijk om me heen. Daar heb je verdorie de rector al!

De rector vraagt waarom ik nog niet in mijn lokaal ben en ik leg hem trouwhartig mijn probleem voor. Hij fronst de wenkbrauwen, kijkt op een roostertje en zegt dat hij me wel even zal brengen. Als onnozele toerist in eigen school loop ik achter hem aan, maar ik presteer het op de een of andere manier hem kwijt te raken. Weet je wat? Ik wacht gewoon tot het tweede uur, dan heb ik meteen wat tijd om me op te knappen. Maar de toiletten zijn nergens te vinden en het vruchteloze gedool begint opnieuw. Shit, daar is de rector weer!

In een variant van de droom ben ik opeens wel in mijn klas, maar wat voor klas het is, blijft duister. Kom, ik zal eens slim zijn en een leerling vooraan zijn boek te leen vragen. Aan het boek zie ik dan wel wat voor groep dit is; ik geef tenslotte al jaren les aan dit soort blagen, het moet een makkie zijn. Ik tuur in het boek, maar herken niets van wat erin staat. Wel zakt de ceintuur van de kimono af, valt mijn slordig bijeengegraaide haar uit elkaar en sta ik de inderhaast opgebrachte lipstick over mijn kin te smeren. Laten we maar een willekeurige oefening uit het boek opgeven als huiswerk waaraan ze vast kunnen beginnen. De kinderen lijken mijn ontreddering niet op te merken en niets geks te vinden aan een lerares die met de ene hand een kimono staat dicht te sjorren en met de andere haar coupe net uit bed tot staartje probeert te dwingen – ach, alles kan tegenwoordig, denk ik nog met de moed der wanhoop. Ze zien en horen me echter helemáál niet. Wat ik ook zeg, het komt als gepiep uit mijn keel en de kinderen kijken neutraal terug als vissen achter glas. En wie staat daar achter het gangraam het lokaal binnen te kijken? Juist.

Dit zal ongetwijfeld een typerende droom zijn voor wie zijn zaken juist redelijk netjes op orde heeft. De oeroude angst om je greep op de dingen te verliezen, om in een oncontroleerbare chaos te verzanden. Maar wat me ergert is de terugkerende rol van de rector als boeman of big brother. Ik heb in mijn schoolloopbaan met vier rectoren te maken gehad, vrijwel altijd op de ontspannen manier die de vrucht van de jaren zestig is. De tijd van Bint en De Bree was allang voorbij toen ik ging lesgeven. Het is me één keer gebeurd dat ik een 2 havo niet in het gareel kon houden en de rector onverhoeds het lokaal binnentrad om te vragen wat dit kabaal te betekenen had. Heeft dat zo'n indruk gemaakt dat de man me nu nog in mijn dromen komt kwellen?

Ik vermoed van wel. Want de omgekeerde situatie heeft ook indruk gemaakt. Dat was in mijn laatste lesjaar. Ik gaf in 4 atheneum op een snikhete dag een proefwerk en zette, omdat er zo geklaagd werd over de warmte, de ramen en de lokaaldeur tegenover elkaar open. Omdat ik toch wegging had ik het hele jaar tegenover de leerlingen al een `kom maar op, ik lust jullie rauw'-houding aangenomen, die me tot mijn eigen verwondering een ongekend gezag opleverde. De klas hing lusteloos maar muisstil over de opgaven. Op zeker moment klonk de snelle, efficiënte stap van de rector door de gang. Hij keek even het open lokaal in en knikte me glimlachend toe. Die situatie bedoel ik. Ik vond het een glorieus moment.

Een glorieus moment – mijn god, ik zou een goeie voor Bint geweest zijn! Dan zou ik er alleen niet met zo'n mild jaarlijks droompje afgekomen zijn, vrees ik.

    • Rascha Peper