Ruiken

Op het boventerras van restaurant Vertigo in het Vondelpark verenigde ik met een collega het nutteloze (werkoverleg) met het aangename (roddel), terwijl we in de zachte gloed van de nazomerzon zaten. Op de paden beneden ons jogden met name de wat gezettere Amsterdammers alsof hun leven ervan afhing, of was het vooral hun geslachtsleven? Ze wilden in ieder geval zo aantrekkelijk mogelijk blijven, dat was duidelijk.

Het liep tegen zessen en we vroegen ons af of we hier een hapje zouden blijven eten. Mijn collega zei: ,,Ik weet het niet.''

Hij keek geïrriteerd rond. ,,Er is hier iets met de riolering mis, geloof ik. Af en toe komt er zo'n stankgolfje aangewaaid.''

Ik knikte, ik had ook wel iets geroken, zonder er veel aandacht aan te besteden.

Hij keek naar beneden. ,,Toch kan ik me niet voorstellen dat hier een rioolbuis loopt.''

Eten of niet? Het dilemma bleef levensgroot boven ons tafeltje sudderen. Ik vroeg me af of mijn collega zich niet al te bezorgd maakte, maar ik wilde hem niets opdringen.

De man aan een tafeltje rechts vóór ons had het gemakkelijker. Hij hoefde met niemand te overleggen, want hij was alleen. Het was een stevig gebouwde man van een jaar of veertig met bruin achterover gekamd haar. Hij had zijn blote voeten over de stenen balustrade gelegd en las in een boek met de titel Coaching with spirit. Ook maakte hij kleine tekeningen in een dictaatcahier.

Hij had eerder mijn aandacht getrokken doordat hij op een bijna obsessieve manier voorbijkomende vrouwen zat te bekijken. Hij rekte zijn hals uit en draaide zijn bovenlichaam mee zodra er enig, niet al te bejaard, vrouwenvlees langskwam. Toen een jonge, sexy vrouw op de begane grond aan een lang mobiel telefoongesprek begon, daalde hij gretig af en begon om haar heen te cirkelen. Hij maakte zich juist op voor de sprong van het roofdier, toen een voetganger naderde, een man in een donker pak, die zonder aarzelen de vrouw omhelsde en met haar wegliep.

Onze terrasvriend keek verrast toe, maar legde zich sportief bij zijn nederlaag neer en keerde naar ons terug.

Vijf minuten later fluisterde mijn collega: ,,Het is die kerel.''

,,Wat?''

,,Het is die kerel die zit te stinken.''

,,Ik kan me niet voorstellen'', zei ik, altijd geneigd het goede in de mens, zelfs in de man, te zien.

,,We kunnen maar beter opstappen'', zei mijn collega vastberaden.

We nipten onze drankjes weg, toen de man plotseling opstond en ons vroeg: ,,Ach, heren, ik moet even naar het toilet, willen jullie mijn spullen in de gaten houden?'' Hij wees op een leren tas aan zijn voeten. Wij knikten.

Toen hij weg was, lachte mijn collega: ,,Laat de tapas nu maar komen.''

De man kwam terug, bedankte ons met een knikje en trok een krant uit zijn tas die hij slordig begon te lezen. Ik durf het nauwelijks op te schrijven, maar het was NRC Handelsblad. Toen hij uitgelezen was, verliet hij het terras.

We zagen hem op een grote, zwarte damesfiets stappen had-ie toch nog iets om te bespringen.