Nog steeds grootste ijkpunt?

Laten we hopen dat het bezoek dat minister-president Balkenende volgende week aan het Witte Huis brengt, een prettigere indruk op zijn gastheer zal maken dan de herinnering die zijn voorganger Den Uyl een kleine dertig jaar geleden naliet bij de toenmalige president, Gerald R. Ford.

Deze vertelt in zijn memoires hoe dit bezoek plaatsvond op een ogenblik van crisis: de Cambodjaanse Rode Khmer had een Amerikaans vrachtschip gekaapt. Hoe moest Washington daarop reageren? Meermalen moest Ford zijn werkdiner met Johannes den Uyl (zoals hij hem noemt) onderbreken om in een andere kamer telefonische boodschappen te ontvangen, te beraadslagen en instructies te geven.

Den Uyl toonde zich, volgens Ford, geërgerd door deze onderbrekingen, en dat ergerde Ford weer, die trouwens toch al ontstemd was door het `gevit' van `vele Nederlandse leiders' over de Amerikaanse Vietnampolitiek en hun `zelfvoldane leedvermaak' met de Amerikaanse nederlaag daar. Den Uyls onbegrip voor Fords moeilijkheden van het ogenblik ,,annoyed the hell out of me''. (Van Fords ergernis heeft Den Uyl waarschijnlijk niets gemerkt of hij heeft er zich niets van aangetrokken, want een paar maanden later ontmoetten ze elkaar weer, nu in Helsinki. Daar is een foto van, waarop je Den Uyl, met zijn wijsvinger priemend, hevig op Ford ziet inpraten.)

Ook Balkenende komt in Washington op een ogenblik van crisis, maar een veel diepere crisis dan in 1975 het incident met de Mayaguez zo heette dat Amerikaanse schip – had veroorzaakt. Immers, de aanslag op het hoofdkwartier van de VN in Bagdad, waarbij vele hulpverleners, onder wie de rechterhand van secretaris-generaal Kofi Annan, omkwamen, heeft aangetoond dat Amerika's politiek van Irak in duigen ligt.

Niet alleen was al duidelijk geworden dat de grond onder de belangrijkste legitimatie van de oorlog tegen Irak – het bestaan van massavernietigingswapens in dat land – was weggevallen (want die wapens zijn nog steeds niet gevonden), maar ook is nu met één klap zonneklaar gebleken dat de pacificatie van Irak heel wat moeilijker is dan de militaire overwinning op dat land.

Sterker nog: Irak, dat onder Saddam Hussein geen exporteur van internationaal terrorisme was, ,,lijkt nu georganiseerde netwerken van terroristen aan te trekken, en dat terwijl de VS juist ten oorlog trokken om het `internationaal terrorisme' te bestrijden'', zoals Mia Doornaert in De Standaard schrijft.

Nu hadden pessimisten al vóór die oorlog hun hart meer vastgehouden voor de gevolgen ervan dan voor de oorlog zelf en hadden zij het idee, uit neoconservatieve koker, om van Irak een democratische modelstaat te maken, die een heilzame uitstraling zou hebben over het hele autoritaire en achterlijke Midden-Oosten, van meet af aan als onzalig bestempeld, maar zulk pessimisme is de Amerikanen vreemd – zeker nu hun land de enige supermogendheid is die overgebleven is.

Hoe dit ook zij – de Amerikaanse troepen werden niet, zoals verwacht, door de Irakezen met gejuich als bevrijders verwelkomd. Zelfs de door Saddam Hussein onderdrukte sjiieten namen een afwachtende houding aan. In de maanden die op de val van Saddam Hussein zijn gevolgd, zijn er meer Amerikanen als gevolg van aanslagen omgekomen dan tijdens de hele oorlog.

Het herstel van een enigszins ordelijke en veilige samenleving – om niet te spreken van de invoering van de democratie – gaat kennelijk de krachten van de Amerikanen te boven. Zij hebben daar vóór de oorlog, in hun aan roekeloosheid grenzende optimisme, nauwelijks voorbereidingen voor getroffen, en afgezien daarvan: Amerika heeft geen koloniaal, eerder een antikoloniaal verleden. In elk geval blijken de lessen die het na 1945 als bezetter van Duitsland en Japan heeft geleerd, niet van toepassing op Irak.

Voeg daarbij de moeilijkheden die het heeft bij het herstel van de essentiële levensvoorwaarden, zoals water en elektriciteit, en het herstel van de oliepijpleidingen, waarvan 's lands economie afhangt, en de radeloosheid waarin Washington zich op het ogenblik bevindt, wordt begrijpelijk – al zal de president, die in 2004 graag herkozen wil worden, zijn uiterste best doen die te maskeren.

Dit neemt niet weg dat bij het bezoek van minister-president Balkenende Bush' gedachten wel ergens anders zullen zijn dan bij de preoccupaties van zijn gast. Die zal er dan ook goed aan doen die zoveel mogelijk voor zich te houden en, anders dan zijn voorganger Den Uyl, zich te beperken tot de rol van luisteraar. Misschien steekt hij daar nog wat van op.

Redelijkerwijs zal Bush niet meer van Nederland kunnen vragen dan het al geleverd heeft, want er staan al Nederlandse militairen in Irak. De vraag is eerder hoe lang die daar nog gehandhaafd kunnen worden – niet omdat ze niet tegen de hitte kunnen, maar omdat een totale chaos hen wel eens tot de terugtocht zou kunnen dwingen.

De crisis waarin Amerika zich bevindt, zal natuurlijk ook haar uitwerking hebben op zijn relatie met Europa, Nederland incluis. Kan een roekeloos en nu ook radeloos Amerika het `grootste ijkpunt' voor de Nederlandse buitenlandse politiek blijven, zoals minister De Hoop Scheffer dat nog in februari formuleerde? En dan spreken we nog niet eens van een isolationistisch Amerika, dat tot de reële mogelijkheden gaat behoren, als de frustraties die het in en om Irak ondervindt, niet heel gauw verdwijnen.

Zeker, ruzie zoeken met het machtigste land ter wereld is het onverstandigste wat een ander land kan doen, zoals Duitsland en België hebben ervaren, maar aan de andere kant kunnen sympathie en dankbaarheid niet de enige leidstar van een politiek zijn. In elk geval mogen ze geen blokkade vormen voor het denken over minder welkome ontwikkelingen in de verhouding tussen Amerika en Europa, die Nederland tot een keuze zouden kunnen dwingen.

Als het bezoek aan Washington van volgende week dat denken zou bevorderen, zou dit op zichzelf de reis waard zijn geweest.