In Liberia rest van de staat alleen het skelet

In het ministerie hokken vluchtelingen. Het enige postkantoor is al in 1990 leeggeroofd. De Liberiaanse staat als lege huls.

Ambtenaar Sportzaken Henry Freeman, een 45-jarige man met pretogen en een gescheurd poloshirt, slaapt op een versleten matras in het ministerie waar hij sinds 1995 werkt. Nou ja, werkt: er was al niks te doen en nu is ook de minister nog vertrokken. Freeman besloot diens relatief veilige kantoor te betrekken tijdens de aanval van de rebellen op de hoofdstad Monrovia in juni. ,,Kan ik meteen een oogje op de inboedel houden.'' Tientallen anderen volgden. Eindelijk wordt het ministerie goed benut: als kraakpand voor oorlogsvluchtelingen. Een ingelijst diploma, een typemachine, een roestige archiefkast en de herinnering aan een paar spannende voetbalwedstrijden is alles wat de minister nagelaten heeft.

De Liberiaanse staat heeft veel weg van het elektriciteitsnet van de hoofdstad Monrovia. Alleen het skelet staat nog overeind. De structuur bestaat, maar de inhoud is verdwenen. Overal langs de weg steken elektriciteitspalen uit de grond, vaak compleet met koperen bedrading. Maar de palen zijn groen uitgeslagen van het mos, de kabels hangen tot op de grond en de stroomvoorziening is afgesloten. Op verzoek regelt de directeur van het elektriciteitsbedrijf enkele uren stroom in buurten waar de bewoners rijk genoeg zijn om vooraf te betalen.

De Liberian Electricity Company is een staatsbedrijf, maar wat betekent dat nog in Liberia? De voormalige president Charles Taylor wàs de staat, zeggen Liberianen. Hij regeerde als een hebzuchtige bendeleider die zijn eigen fotokopiëen maakte omdat hij zijn hulpjes niet vertrouwde. Zes jaar lang bepaalde hij wat zijn 22 ministers deden. De meesten bekleedden een puur decoratieve functie. Geld was er nooit. De minister van Sportzaken financierde kantoorpapier uit de opbrengst van op eigen houtje gesloten sponsorcontracten.

De staat Liberia is vrijwel uitgehold. Sinds de stichting van de republiek Liberia in 1847 heeft hij nooit veel voorgesteld. Pas aan het begin van de twintigste eeuw breidde de regering in Monrovia haar zeggenschap tot het achterland uit, omdat westerse mogendheden het gebied betwistten. Alleen door zich in de schulden te steken en later door een groot stuk land aan de Amerikaanse rubbermaatschappij Firestone te verhuren, kon de overheid zich een staatsapparaat permitteren. De stadselite die bestond uit nazaten van bevrijde slaven regeerde het land als kolonie. Dat wil zeggen dat aan de ontwikkeling van de `primitieve' inlanders nooit veel aandacht werd besteed.

Ook niet in de gouden tijden na de Tweede Wereldoorlog toen Liberia zich ontwikkelde tot een van de rijkste landen van Afrika, zonder dat er werd geïnvesteerd in regionale infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. De staat kwam in een vrije val terecht door de mondiale economische crises van de jaren zeventig en een staatsgreep in 1980. Die werd nog versneld door de val van de Muur en door een burgeroorlog sinds 1989.

Ex-president Charles Taylor, die deze maand onder grote internationale druk is vertrokken, liet de onderdelen van de staat volledig over aan hun lot. Op de politie na, die nieuwe uniformen draagt en min of meer schijnt te functioneren. De openbare voorzieningen worden draaiende gehouden door hulporganisaties, kerken of ondernemingen. Er bestaat een ministerie van Posterijen en Telecommunicatie, maar het enige postkantoor werd in 1990 leeggeroofd en op de brievenbussen zitten hangsloten. De telefoonlijnen staan te boek als onbetrouwbaar. Iedereen die het zich kan permitteren, is overgestapt op het commerciële mobiele netwerk.

Liberia heeft geen publieke omroep meer. De radiostations zijn in particuliere handen. Een Libanees bedrijf voorziet de ambassadewijk van kraanwater, de rest van de stad is afhankelijk van regenwater of watertanks die door de Europese Unie zijn geïnstalleerd. Het belangrijkste ziekenhuis is overgenomen door het Internationale Rode Kruis. De meeste scholen en universiteiten behoren toe aan kerkelijke organisaties.

Vrijwel alle ministeries zijn beschadigd door kogelgaten of ernstig in verval geraakt, maar niet alle ambtenaren zitten stil. Op de zesde verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden driftig brieven getypt aan ambassadeurs in het buitenland. Het is de enige verdieping met tapijt. De derde en vierde zijn zelfs nooit afgebouwd, je kunt er zo van de betonnen vloer naar buiten springen. De lift doet het niet: de generator is kapot.

Toch heeft Liberia bronnen van inkomsten die Taylor en zijn handlangers veel geld in het laatje brachten. De paspoortafdeling van het ministerie van Financiën drijft een lucratieve handel in het uitgeven van diplomatieke identiteitsbewijzen. Een van de meest begeerde functies is die van directeur van het Bureau voor Maritieme Zaken. Meer dan duizend vrachtschepen varen onder Liberiaanse vlag en daar wordt goed voor betaald.

De laatste keer dat ambtenaar Sportzaken Henry Freeman zijn salaris kreeg, was achttien maanden geleden. Hij kan erom lachen. ,,Het was oorlog. Dan zeggen de machthebbers altijd: we hebben het geld zelf nodig.'' Henry is straatarm, maar intelligent en vindingrijk. Hij kan van weinig leven. Waarom ging hij toch iedere ochtend om acht uur naar zijn werk, net als die duizenden andere vergeten ambtenaren die niets kunnen doen en nooit betaald worden? Misschien omdat alleen zijn optimisme hem rest. ,,Een slecht stuk in de weg wil niet zeggen dat de hele weg kapot is. Na de gaten komt altijd weer een beter gedeelte.''