EU laat steken vallen in relatie met Oost-Europa

Wanneer op 1 mei 2004 de droom van de uitbreiding van de EU in vervulling gaat, zal vermoedelijk aan weerszijden van Europa weinig gejuich klinken. Daarvoor is het wantrouwen in de Oost-Europese kandidaatlanden jegens de huidige lidstaten te groot, meent Jirí Pehe.

Toen het communisme in Oost-Europa ineenstortte, waren de nieuwe democratische leiders het er snel over eens dat hun prioriteit moest zijn om lid van de Europese Unie te worden. `Terug naar Europa!' werd hun devies, geestdriftig gesteund door een meerderheid van hun bevolking. Maar acht maanden voordat die droom officieel uitkomt, groeit in Oost-Europa de twijfel over de voordelen van het EU-lidmaatschap.

Voor de nieuwe democratieën in het oosten van Europa heeft het EU-lidmaatschap vijf belangrijke dimensies: historische symboliek, veiligheid, economische welvaart, politieke stabiliteit en de waarborg van een rechtsstaat. Elk van deze dimensies heeft de afgelopen veertien jaar op verschillende momenten overheerst, waarbij aan elk ervan in Oost- en West-Europa verschillende verwachtingen verbonden waren.

De historische symboliek van de EU is altijd sterker gevoeld in het Oosten dan in West-Europa. Terwijl de Oost-Europese volken het lidmaatschap opvatten als een bevestiging van hun historische band met het Westen waarmee ze weer verder afstand namen van het Sovjet-bewind, leek de EU geen haast te hebben om aan die verwachtingen tegemoet te komen.

In plaats daarvan beklemtoonde de EU de technische voorwaarden voor het lidmaatschap. Er leek de West-Europeanen niets aan gelegen dat een vroege uitbreiding naar het Oosten wel eens de bestendiging van de democratische revoluties daar zou kunnen versnellen. Teruggebracht tot een zeer technisch en ambtelijk proces, werd de uitbreiding vrijwel geheel ontdaan van enig moreel en politiek beginsel.

Intussen verloor de veiligheidsdimensie van het EU-lidmaatschap aan belang toen de VS besloten tot een snelle NAVO-uitbreiding. Het feit dat de Amerikanen sneller handelden dan de EU droeg ook bij tot de versterking van een gevoel van trouw dat tal van mensen in de nieuwe democratieën hebben tegenover de VS.

In dat opzicht heeft de EU een kans gemist om de uitbreiding te koppelen aan een gedurfde interne hervorming die haar tot een grote mogendheid zou maken. In plaats daarvan is de uitbreiding op een saaie exercitie uitgedraaid, waarbij de uiteindelijke voordelen van het EU-lidmaatschap in het hoofd van gewone mensen zijn vertroebeld door het ingewikkelde proces van de invoering van de acquis communautaire (de EU-wetgeving). Onvermijdelijk kwam de EU bij velen over als een bureaucratisch monster.

Uiteindelijk resteerde de pro-EU-elites in Oost-Europa maar één middel om enthousiasme voor het EU-lidmaatschap te wekken: algemene uitspraken over een berucht oorlogszuchtig continent waar de EU vrede en stabiliteit had gebracht én de belofte van economische welvaart. `Terug naar Europa' was passé; de Oost-Europeanen kwamen nader tot Europa dankzij de VS.

Nu lijken helaas zelfs de economische voordelen van het EU-lidmaatschap onduidelijk. Tijdens het hele toetredingsproces heeft de EU duidelijk gemaakt dat ze niet dezelfde mate van economische solidariteit kon en wilde aanbieden als ze eerdere nieuwelingen in de Unie had aangeboden.

De nieuwe leden konden natuurlijk wel profiteren van de investeringen die uit de huidige EU-landen binnenstromen. Tenslotte zal het bestaan van een gemeenschappelijke economische zone en uiteindelijk een vergrote monetaire unie het voor veel West-Europese bedrijven gemakkelijk maken om hun bedrijvigheid te verplaatsen naar de delen van Europa met lagere kosten maar dezelfde wetgeving.

Maar zelfs déze voordelen worden mogelijk beknot door de aanhoudende economische achteruitgang in een groot deel van West-Europa. Een wezenlijke verandering in het economische wel en wee van Europa is niet te verwachten wanneer geen diepgaande structurele wijzigingen worden ingevoerd. Maar tot dusver zijn alleen aarzelende hervormingen waargenomen.

Een tragere groei in de nieuwe lidstaten zou ook de beoogde invoering van de euro kunnen ophouden, en dat kan veel bedrijven uit het Westen afschrikken om er te investeren.

Er lijkt hier een Catch-22 in het spel te zijn: de invoering van de gezamenlijke munt kan buitenlandse investeringen aantrekken, al zal dit afhangen van het vermogen van de nieuwe leden om hun begrotingstekort omlaag te brengen. Maar fiscale consolidatie vereist een sterke economische prestatie, die van buitenlandse investeringen afhangt.

Nu de economische voordelen van het EU-lidmaatschap veel kleiner lijken dan verwacht, is de heftigheid van de pro-EU-gevoelens in de kandidaatlanden beduidend gedaald. Weliswaar stemde in vrijwel alle kandidaatlanden waar referenda zijn gehouden een overweldigende meerderheid voor het lidmaatschap, maar veel mensen bleken niet te stemmen. Het beste woord ter omschrijving van de referenda die tot dusver zijn gehouden is apathie.

Het Oost-Europese postrevolutionaire enthousiasme voor Europa is verdampt. Om alles nog ingewikkelder te maken, zullen de Oost-Europese landen lid van de EU worden op een moment dat deze aan een grote interne hervorming is begonnen die wordt belichaamd door een nieuwe Europese Grondwet. Gelet op hun ervaringen met het ellenlange uitbreidingsproces staan de meeste kandidaatlanden wantrouwig tegenover de motieven van enkele grote EU-landen.

Als deze landen al veertien jaar zelfzuchtig zijn, waarom zouden de kandidaten dan geloven dat de nieuwe besluitvormingsmechanismen niet zullen worden misbruikt ten nadele van de kleine landen vandaar het verzet van een aantal kandidaatlanden tegen een eventuele Europese president.

Dat soort angsten zijn ook versterkt door het schizofrene gedrag van vooral de Franse president Jacques Chirac, die de kandidaatlanden de mantel uitveegde omdat ze hun steun aan de VS inzake Irak hadden uitgesproken. Als dus op 1 mei 2004 de droom van de uitbreiding in vervulling gaat, zal vermoedelijk aan weerszijden van Europa weinig gejuich klinken.

Jiri Pehe was politiek adviseur van de Tsjechische oud-president Václav Havel en is als politiek analist verbonden aan de New York University in Praag.

© Project Syndicate.