De segregatie blijft

EEN NIEUW RAPPORT van het SCO Kohnstamm Instituut schildert een somber beeld van de samenstelling van scholen in Amsterdam. Allochtone en autochtone leerlingen klonteren steeds meer samen in aparte scholen. Een kwart van de Amsterdamse basisscholen heeft inmiddels kinderen die vrijwel allen van niet-westerse herkomst zijn. Daartegenover staat een kleiner aantal overwegend autochtone scholen. De segregatie zet zich voort in het middelbaar onderwijs, waar vwo en gymnasia hoofdzakelijk worden gevuld door kinderen van hoogopgeleide ouders.

Tegen deze ontwikkeling, die zich ook in Den Haag, Rotterdam en Utrecht voordoet, valt weinig te ondernemen door de besturen van die plaatsen. De meeste immigranten vestigen zich nu eenmaal in de grote steden, waar ze steun krijgen van familieleden, bekenden en voormalige landgenoten. Omdat de meerderheid van de Amsterdamse leerlingen van buitenlandse herkomst is, zouden in het theoretische geval van totale desegregatie alle Amsterdamse scholen overwegend allochtoon worden. Dan zou segregatie ontstaan tussen de scholen in Amsterdam en die in de omliggende voorsteden.

Gedwongen desegregatie in Amerika heeft de onderwijsprestaties van de achtergestelde zwarten niet verhoogd. Los daarvan: het is in strijd met het Nederlandse grondwettelijke beginsel van vrijheid van onderwijs. Dat betekent dat door de overheid gefinancierde scholen onderling concurreren en ouders met hun kinderen vrij kunnen kiezen. De meeste ouders vinden het belangrijk dat hun kind een goede opleiding krijgt. De mogelijkheid dat het kind op school andere culturen leert kennen staat duidelijk op de tweede plaats. Desegregatie is sociaal wenselijk, maar het individuele belang van het kind staat voorop. Daar kan een gemeentebestuur met voorlichting en al niet tegenop.

Hoogopgeleide allochtone en autochtone ouders kiezen het liefst een basisschool die zoveel mogelijk kans biedt op doorstroming naar voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Dat is meestal een `witte' school waar vrijwel alle leerlingen goed Nederlands spreken, met hoge Cito-scores, gemotiveerde leerkrachten en geringe lesuitval. Overwegend `zwarte' scholen zijn weinig gewild bij autochtonen omdat discriminatie zich ook omgekeerd kan voordoen: door allochtone kinderen tegen een autochtone minderheid. De meeste laagopgeleide allochtone ouders geven de voorkeur aan een gedesegregeerde school waar goed Nederlands wordt gesproken. Toch belanden hun kinderen meestal op een zwarte school in de buurt waar ook andere kinderen uit de straat zitten. Meestal zijn laagopgeleide immigranten slecht op de hoogte van de mogelijkheden. De voorlichting aan hen kan beter.

DE ONDERZOEKERS van het Kohnstamm Instituut zien geen heil in desegregatie. Verhoging van het lesniveau is belangrijker, door bijvoorbeeld hogere lonen voor de leraren die er les geven. Nu al telt een achterstandsleerling voor twee bij de budgettering. Dat is terecht, maar er is wel een nadeel. Om hun financiële achterstand op `zwarte' scholen in te lopen vragen de `witte' scholen een vrijwillige bijdrage van ouders per schooljaar. Die bijdragen vormen een psychologische barrière voor laag opgeleide ouders.

Ruimer bezien is het segregatieprobleem minder groot dan het lijkt. Sommige zwarte scholen presteren uitstekend. Onder `zwarten' worden ook de Surinamers gerekend die van huis uit Nederlands spreken en wier sociaal-economische karakteristiek steeds meer lijkt op die van autochtonen. Sommige immigrantengroepen boeken snelle sociale vooruitgang en vestigen zich in nieuwe voorsteden waar ze op school, straat en werk alsnog integreren met de autochtone bevolking. De sociale problemen laten ze achter in de grote stad.

Scholen en gemeentebesturen van grote steden kunnen het segregatieprobleem niet in hun eentje oplossen. Een gericht immigratiebeleid met duidelijke eisen aan nieuwkomers is effectiever om te voorkomen dat de sociale problemen zich generaties lang ophopen.