NASA krijgt schuld ongeluk

De ramp met de spaceshuttle Columbia, die op 1 februari kort na terugkeer in de dampkring verongelukte, is te wijten aan een stuk isolatieschuim dat bij de lancering, zestien dagen eerder, van de externe brandstoftank losschoot. Maar minstens zo belangrijk als dit technisch falen was een NASA-cultuur waarbinnen veiligheid het aflegde tegen budgeteisen en de druk om te voldoen aan lanceerschema's, en waarbinnen signalen van onderaf dat er iets mis was door de top werden genegeerd.

Dat zijn de belangrijkste conclusies van de onderzoekscommissie die het ongeluk heeft onderzocht. In het gisteren gepresenteerde eindrapport krijgt de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA, verantwoordelijk voor het shuttle-programma, er stevig van langs. Het ongeluk ,,was niet zozeer een buitenissige, toevallige gebeurtenis, maar was in zekere mate geworteld in de NASA-geschiedenis en in de heersende cultuur om het bemande ruimtevaartprogramma''.

Na bestudering van alle gegevens, variërend van opnamen van de lancering en de fatale terugkeer, vluchtgegevens, ruim 84.000 neergekomen wrakstukken (samen 38 procent van het gewicht van de shuttle) en de resultaten van proefnemingen, heeft de commissie de ramp nauwgezet weten te reconstrueren. Het begon allemaal met het losschieten, 82 seconden na de lancering op 16 januari, van een stuk isolatieschuim op een verbindingsstuk tussen externe brandstoftank en shuttle. Met een snelheid van zo'n 800 km/uur knalde het projectiel ter grootte van een koffer tegen de voorkant van de linkervleugel en sloeg een gat van zo'n 1000 cm².

Daarmee was het lot van de Columbia bezegeld: bij terugkeer in de dampkring drong heet gas de vleugel binnen, waarna de Columbia desintegreerde. Weliswaar werd het schuimincident daags na de lancering op video-opnames opgemerkt, maar pogingen van bezorgde technici, mede ingegeven door de gebrekkige kwaliteit van de beelden, om spionagesatellieten de onderzijde van de Columbia te laten fotograferen, werden door de NASA-top genegeerd. Er schoten wel vaker stukken schuim los, was de gedachte, en altijd was het goed gegaan. Ook liet de NASA-top zich leiden door een foutief gebruikt computerprogramma dat zou uitwijzen dat eventuele schade van het stuk schuim geen kwaad kon.

Maar toen de onderzoekscommissie begin juli een experimentele test uitvoerde waarbij een kanon een vergelijkbaar stuk schuim op een proefvleugel afvuurde, was het resultaat een gapend gat. Intussen was de NASA op verzoek van de commissie nagegaan of, uitgaande van het feit dat het gat enkele dagen na de lancering ontdekt was, er een reddingsvlucht met de Atlantis mogelijk was geweest. Het antwoord was ja, al was zo'n operatie niet van risico's ontbloot. Eerder had de NASA beweerd dat de Columbia-bemanning, gegeven het gat, reddeloos verloren was.

De commissie doet tientallen aanbevelingen, waaronder een aantal die vóór een nieuwe vlucht met een spaceshuttle doorgevoerd moeten zijn. Anders ligt een nieuwe ramp in het verschiet.