James Caan

Lars von Triers oppergangster in `Dogville', genaamd `The Big Man', speelde al Sonny Corleone in `The Godfather'. James Caan werkt zich permanent een slag in de rondte, behalve toen hij verslaafd was aan cocaïne.

De laatste film met James Caan in de Nederlandse bioscoop was The Yards (James Gray, 2000), maar tussen die film en Dogville in speelde hij wel tien andere rollen. IJver was altijd belangrijker voor Caan dan onderscheidingsvermogen, behalve dan in het gat dat zijn filmografie tussen 1982 en 1987 vertoont. Slechte vrienden hadden Caan, zo verklaarde hij later in interviews, weten te verleiden tot een cocaïneverslaving, die `meer dan tien jaar' (volgens sommigen wel twintig jaar) duurde.

Ook zijn boekhouder had hij slecht uitgekozen, want er ging in die jaren meer dan tien miljoen dollar in rook op. Nu heeft hij zoontjes van zeven en vijf bij zijn vierde vrouw, en werkt hij weer hard, zonder echt te excelleren.

Over de jeugd en jongelingsjaren van de als James Kaan geboren acteur (New York, 26 maart 1939) is niet heel veel bekend. Hij zou een zwarte band in karate hebben, footballspeler zijn geweest en negen jaar lang als professional aan rodeo's hebben meegedaan. Zijn piepkleine filmdebuut, als `soldaat bij radio' in Irma la Douce (Billy Wilder, 1963), kreeg niet eens een credit. Wel viel hij op in Howard Hawks' western El Dorado (1967), in vroege films van Altman en Coppola (The Rain People) en vooral als de ten dode opgeschreven footballspeler in de tv-film

Brian's song. Coppola wilde Caan oorspronkelijk de rol van Michael Corleone geven in The Godfather (1972), maar dat werd Al Pacino; Caan speelde diens heethoofdige broer Sonny en beiden werden genomineerd voor een Oscar.

Daarna was Caan onder meer een gokverslaafde literatuurprofessor in The Gambler (Karel Reisz, 1974), Barbra Streisands liefde in Funny Lady, een supercrimineel in zijn eigen favoriet: Thief (Michael Mann, 1981) en een Amerikaanse entertainer in de Franse hit Les Uns et les autres (Claude Lelouch, 1982). Ook regisseerde hij een film, het onderschatte Hide in Plain Sight (1980), over een getuige die een nieuwe identiteit krijgt.

Na het zwarte gat in zijn loopbaan gaf Coppola hem weer een eerste kans, in Gardens of Stone (1987). Hij had vooral succes als de aan bed gekluisterde detectiveschrijver, gegijzeld door de verliefde Kathy Bates, in Misery (Rob Reiner, 1990), gevolgd door zulk gevarieerd werk als For the Boys, Honeymoon in Vegas, Flesh and Bone en Mickey Blue Eyes.

Vaak is Caan een gangsterpatriarch met zeer menselijke trekjes: schoonvader, verliefd op Sarah Jessica Parker of gewoon corrupt, zoals ook zijn vroegere mannetjesputters niet zelden ziek of anderszins kwetsbaar bleken. Caan is kortom een Amerikaans macho-icoon, die zachtmoedig kan zijn, aan wilszwakte lijdt en die misschien daarom des te gevaarlijker zou kunnen uitpakken: een soort van Mackie Messer uit de Dreigroschenoper.