IAEA: in Iran spoor verrijkt uranium

Op apparatuur in een Iraanse uranium-fabriek bij Natanz zijn sporen van `hoog verrijkt uranium' aangetroffen. Dat blijkt uit een nieuw rapport van het internationale atoombureau IAEA.

Het IAEA onderzoekt de mogelijkheid dat de besmetting met uranium al aanwezig was toen Iran de apparatuur aanschafte. Iran heeft dat laatste uitdrukkelijk als verklaring opgevoerd. Tot dusver heeft het land volgehouden dat de vele honderden gascentrifuges bij Natanz nog nooit zijn gebruikt. Iran zou zelfs nog helemaal nooit met verrijking hebben geëxperimenteerd. De centrifuges werden in februari ontdekt bij een IAEA-inspectie onder leiding van IAEA-directeur ElBaradei. Iran zegt dat ze zijn bedoeld voor productie van laag verrijkt uranium voor kerncentrales.

Het vertrouwelijke rapport van tien pagina's (dat onmiddellijk uitlekte) vermeldt niet hoe sterk het uranium was verrijkt en waarop het werd gevonden. De Iraanse ambassadeur bij het IAEA in Wenen, Ali-Akbar Salehi, verklaarde dat de besmette apparatuur jaren geleden van `intermediairen' was gekocht en dat het land van oorsprong niet genoemd kon worden.

Sinds januari gaat het gerucht dat Iran veel know-how of zelfs complete centrifuges van Pakistan heeft gekregen. Het vakblad Nuclear Fuel (3 februari) noemt de Amerikaanse ambassade in Pakistan als bron. In het meest recente (september/oktober) nummer van het Bulletin of the atomic scientists (internet) wordt het vermoeden uitgewerkt.

De toon van het nieuwe IAEA-rapport zou welwillender zijn dan dat van een rapport dat in juni verscheen. Iran heeft laten weten wel te willen onderhandelen over ondertekening van het `Additional Protocol'. Dat protocol geeft IAEA-inspecteurs meer bevoegdheden. Het werd opgesteld na de bittere ervaringen in Irak, dat een trouw lid leek van het Non-proliferatieverdrag maar toch werkte aan een atoombom. De meeste westerse staten hebben het protocol ondertekend, maar in het Midden-Oosten alleen Jordanië en Koeweit.

Het nieuwe rapport verzwijgt niet dat de Iraanse informatie vaak moeizaam beschikbaar komt en soms in tegenspraak is met eerdere informatie. Iran heeft inmiddels toegegeven dat het in het verleden werkte aan conversie (chemische omzetting) van uranium-grondstof. Het IAEA had daarover geïnformeerd moeten worden. Het IAEA heeft na lang aandringen toegang gekregen voor het nemen van monsters tot de Kalaye Electric Company bij Teheran (waar gascentrifuges getest zouden zijn) maar ondekte dat daar veel was veranderd.

Wantrouwen over het Iraanse kernprogramma bestaat al sinds Rusland zich bereid toonde twee onvoltooide Siemens-kernreactoren in Bushehr af te bouwen. Het nam plotseling toe toen vorig jaar bleek dat Iran ook bouwde aan een fabriek voor zwaar water. Een civiele toepasing daarvan is niet erg waarschijnlijk.