Het portret en de ziel

Richard Southwell moet een saaie, beetje verkrampte man zijn geweest. Hij was een toegewijd hoveling van Edward VI, maakte religieuze gedichten en heeft nooit een vlieg kwaad gedaan – reden waarom hij niet zo'n glansrijke carrière heeft gehad.

Maar lieve help, wat vond ik het heerlijk om naar die man te kijken op het portret dat Hans Holbein (1497-1543) van hem heeft geschilderd. Het gevoel dat je ogen worden aangezogen, alsof ze honger hebben en eten tegelijk: zo kijk je anders alleen als je verliefd bent.

Hier staat dat gevoel natuurlijk los van degene naar wie je kijkt. Het ligt aan Holbein, aan het meesterschap waarmee hij Southwells zwakke kin, zijn kantige lippen en een beetje geloken ogen juist zó schilderde. En niet te vergeten de vier dansende zwarte knoopjes die afsteken tegen zijn witte hemd, en de waanzinnige tastbaarheid van zijn zijden mouw. Ik sta niet ademloos voor een mens, ik sta ademloos voor Holbeins kunst, die een personage tot leven lijkt te brengen. Zo gaat het keer op keer op de tentoonstelling van zijn werk in het Mauritshuis. Het is een orgie voor de ogen, zoveel moois zie je niet vaak bij elkaar.

En u, wijze lezer, zegt dat het nogal wiedes is dat ik niet val voor Southwell maar voor Holbein; maar dat valt nog te bezien. Want een oud cliché is bij de gelegenheid van deze tentoonstelling weer eens uitgebreid van stal gehaald: dat een groot kunstenaar ook een groot psycholoog moet zijn. Overal lees je dat `het geheim van Holbein' schuilt in zijn weergave van de menselijke ziel.

De directeur van het Mauritshuis zelf doet er aan mee, Frits Duparc, een man die zeer geprezen moet worden voor zijn beheersing van de bruikleenkunde, het machtsspel tussen musea waarin wordt uitgemaakt wie wat van wie te leen krijgt. Deze diplomaat onder de museumdirecteuren heeft het in de catalogus over Holbeins ,,welhaast ongeëvenaarde vermogen het karakter van de geportretteerde weer te geven''. Dat welhaast is ook leuk: wie doet het nog beter, Rembrandt soms, of iemand die wij niet kennen? En als we al horen wat de portretten zeggen over die karakters, hoe weten we dan of het klopt? Richard Southwell was in elk geval niet het doetje dat ik hierboven beschreef: de catalogustekst schetst juist een nietsontziende intrigant, die zijn vrienden verried en rijk is geworden door het bestelen van kloosters. Maar als de door mij gefantaseerde beschrijving naast het portret stond, zou geen sterveling hebben opgemerkt: goh, dat zou je nou niet zeggen bij die kop.

Het is kennelijk heel, heel moeilijk om bij een meesterlijk portret niet te denken dat je inzicht krijgt in de ziel van de afgebeelde persoon. Terwijl je zelfs bij foto's, of bij echte mensen, puur op basis van de fysionomie, een geleerde niet kunt onderscheiden van een analfabeet, een boef niet van een heilige. Shakespeare wist het wel. ,,Er is geen kunst / die 's mensen ziel leert lezen op 't gelaat...'' zegt koning Duncan, wiens vertrouweling Macbeth hem even later zal vermoorden.

Het is een soort sprakeloosheid, die mensen zo laat reageren op portretten. Je wordt erdoor overweldigd en je wilt iets zeggen, iets dat méér is dan `knap gedaan zeg'. Dus je zegt, vol bewondering: wat een wijsheid, wat een inzicht in de menselijke ziel. Dat is precies mis, maar de verwarring is begrijpelijk, want die wordt veroorzaakt door de confrontatie met grote kunst, het mooiste wat er op aarde bestaat (behalve de liefde, en iedereen weet hoeveel daarover wordt gebazeld).